Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

2018-11-29

Scheik

betekenis & definitie

Scheik - SJEIK, SJEICH, SJECH, m. (-s), eig. grijsaard, oud man; hoofd van een Bedoeïnenstam; (ook) geleerde, leeraar; scheik oei Islam, hoogste priester in Turkije, als zoodanig lid van het ministerie.