Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hollander

betekenis & definitie

HOLLANDER, m. (-s), een bewoner van Holland;

— (Ind.) Hollandsche sigaar;
— (Zuidn.) Hollandsche koe;
— de vliegende Hollander, spookschip in de wateren beoosten de Kaap de Goede Hoop;
— (pap.) maal- of roerbak, waarin de lompen worden fijngemaakt; (ook) zekere haaksteek.