Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hofje

betekenis & definitie

HOFJE, o. (-s), binnenplein, rondom ingesloten door huisjes met tuintjes, voor minvermogende oude lieden, inz. voor onverzorgde oude vrouwen: (meestal eene particuliere stichting); zij woont op een hofje; ik heb onze oude meid in een hofje bezorgd, je zit hier als op een hofje, zoo stil en vredig, zoo buiten alle beslommering;

— eene dergelijke inrichting voor alleenlevende dames uit den meer gegoeden stand: tante heeft zich voor ƒ5000 in een hofje gekocht;
— eene of meer rijen kleine woningen achter de gewone huizen eener straat, waartoe men door eene gang of poort toegang heeft: wie hier op een hofje woont, behoeft geene belasting te betalen.