Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Harrel

betekenis & definitie

HARREL, v. (-s), (gew.) vlasstengel; (ook) hennepvezel: kabelgaren wordt van harrels gesponnen; (gew.) een harreltje, eene kleinigheid, een ziertje.