Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Guur

betekenis & definitie

GUUR, bn. (-der, -st), (van personen) stuursch, onvriendelijk: een guur mensch;

— (van het weder) koud, onaangenaam het is guur weder; de noordenwind is guur; een gure najaarsdag; de gure wintervlagen. GUURHEID, v.