Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Weder

betekenis & definitie

Het begrip weder heeft 3 verschillende betekenissen:

1. weder - WEDER - m. (-s), WEER, m. (-en), (gew.) ram.

2. weder - WEDER - gewoonlijk WEER, o. luchtsgesteldheid : welk weder is het ? of wat is het voor weer ?, is ‘t het koud of warm, helder of somber, droog of regenachtig, stil of onstuimig, enz ?
— (zeew.) zwaar weer, storm;
— ’t is geen weer, ’t is zeer slecht weer;
— (spr.) mooi weer en geen haring, het doet zich goed voor, maar men heeft er niet aan;
— wind en weder dienen hem, het gaat hem naar wensch; wind en weder dienende, gewone formule bij het uitschrijven van ijswedstrijden; mooi weer spelen, verkwistend leven; (ook) iem. uiterst vriendelijk en voorkomend behandelen; mooi weer met iets spelen, daarmee pronken;
— hij speelt mooi weer met een ander zijn geld, hij leeft verkwistend met het geld van een ander; geen mooi weer op iets hebben, geen gunstig onthaal met iets vinden; door weer en wind gaan;
— onweer, donder : het weer is er ingeslagen, tegen het weer beschut zijn.
WEERTJE, o. (-s).

3. weder - WEDER - gewoonlijk WEER, bw. opnieuw, nog eens, herhaald: het regent al weer; nu vraagt hij weer; ik doe het nooit weer;
— terug : de reis heen en weer.

{Weder en weer vormen met een zeer groot aantal werkw. scheidbare samenstellingen en beteekenen dan meestal nog eens, opnieuw, bij herhaling, terug de handeling verrichten; bv.
WEDERAANKLEEDEN, opnieuw, nog eens aankleeden;
...AANMOEDIGEN nog eens moed inspreken;
...AANSPANNEN, paarden die afgespannen waren weder voor den wagen spannen;
...AANTREKKEN;
...AANVULLEN;
...AFBREKEN;
...AFKOMEN;