Wat is de betekenis van guur?

2020
2022-05-21
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

guur

(1980+) (jeugd) stoer. • Het is helemaal 'guur' (Hondarijdersjargon voor stoer) als ze hun felrode lippenstift nog wat aandikken voordat ze wegrijden. (Club, september 1987) • Ook wordt guur tegenwoordig weer gebruikt voor personen. NRC Handelsblad zette ‘gure buren’ in een kop. En dat waren geen vriendelijk...

Lees verder
2019
2022-05-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

guur

guur - Bijvoeglijk naamwoord 1. kil, koud, winderig en regenachtig Het is vandaag zo guur dat er bijna niemand op straat is. Verwante begrippen onguur

Lees verder
2018
2022-05-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

guur

guur - bijvoeglijk naamwoord 1. nat, winderig en onaangenaam koud ♢ blijf maar lekker binnen, het is guur buiten Bijvoeglijk naamwoord: guur ... is guurder dan ... het guurst de...

Lees verder
1973
2022-05-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

guur

bn. en bw. (-der, -st), (van wind en weer) snijdend, onaangenaam koud: het is vandaag; de noordenwind is —.

1952
2022-05-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Guur

adj., wreed, kâld, ûnlijich, goar, goarrich.

1950
2022-05-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Guur

bn. bw. (-der, -st), (van wind en weder), snijdend, droog, onaangenaam koud : het is guur vandaag : de noordenwind, is guur ; een gure najaarsdag; de gure wintervlagen.

1937
2022-05-21
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

guur

bn., bw.; guurder, guurst (winderig, koud, schraal): guur weer; gure vlagen; het blijft guur; het gure Noorden, onherbergzaam; het gure strand, bar; het waait snijdend.

1898
2022-05-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Guur

GUUR, bn. (-der, -st), (van personen) stuursch, onvriendelijk: een guur mensch; — (van het weder) koud, onaangenaam het is guur weder; de noordenwind is guur; een gure najaarsdag; de gure wintervlagen. GUURHEID, v.

Lees verder