Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grootburger

betekenis & definitie

GROOTBURGER, m. (-s), (hist.) iemand die de volle burgerrechten eener stad deelachtig was. GROOTBURGERSCHAP, o. de hoedanigheid of waardigheid van grootburger: Amsterdam bood aan De Ruyter het grootburgerschap aan.