Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Gebak

betekenis & definitie

GEBAK, o. het gedurig of aanhoudend bakken: het gebak in de poffertjeskramen hulde de kermisgasten in een dikken rook;

— eene onbepaalde hoeveelheid van gebakken voorwerpen, inz. lekkernijen, als taarten, pasteien, banket enz.: versch, oud, overheerlijk gebak; na het gebraad werd het gebak rondgediend;
— (in ’t bijz.) zooveel brood als te gelijk gebakken wordt, een baksel: daar de oven ie heet gestookt was, is het gebak verbrand;
—, (-ken), eene spijs die gebakken is (lekkernijen).