Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Bisschop

betekenis & definitie

Het begrip bisschop heeft 2 verschillende betekenissen:

1. bisschop - BISSCHOP, m. (-pen), (R.-K.) priester van den hoogsten rang, bezittende de volheid van het priesterschap met de daaraan verbonden rechten en volmachten; veelal belast met het bestuur van een bisdom (diocesaan-bisschop), maar niet altijd (zooals de titulair- en wijbisschoppen).

2. bisschop - BISSCHOP, v. zeker extract uit verschillende specerijen, inz. onrijpe pomeransschillen;
— de drank, uit warmen rooden wijn, suiker en bisschop bereid (naar de kleur van ’t gewaad van een bisschop zoo genoemd).