Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Sibyllen

betekenis & definitie

Sibyllen (Grieks Sibyllai, Lat. sibyllae) zijn maagdelijke priesteressen, door Apollo of volgens sommigen door Zeus in extase gebracht en geïnspireerd tot raadselachtige en onheilspellende voorspellingen. Ze zijn wellicht van Klein-Aziatische oorsprong en worden beschreven door auteurs uit die streken (Herakleitos) en later door Romeinse auteurs als Varro, Ovidius en Vergilius. De eerste Sibylle is een dochter van Dardanos, koning van Troje, gezegend met helderziendheid. Haar eigennaam zou soortnaam zijn geworden. De tweede Sibylle is Herophile, die voorspelde dat Troje ten onder zou gaan aan een vrouw uit Sparta (Helena). Een andere Sibylle leefde in Erythrai in Lydië (in een latere traditie wordt die plaats het Ethiopische Erythrea), naar men zegt gedurende negen lange mensenlevens van 110 jaar elk. Zij was priesteres in een Apollo-heiligdom.

Zij heeft haar hoge leeftijd gemeen met de Sibylle die leefde in een grot bij het Italiaanse Cumae en wel met haar geassimileerd werd. Zij wees Aeneas de weg naar het dodenrijk. Ovidius verhaalt dat ze Apollo, op haar verliefd, vroeg haar zoveel jaren te laten leven als zij aan stofkorrels in haar hand kon houden. Het waren er duizend. Apollo verleende haar die gunst, maar omdat ze zich niet aan hem wilde geven onthield hij haar de gunst van het behoud van een jeugdige leeftijd, zodat ze gedoemd was gebukt te gaan onder de toenemende lasten van een hoge ouderdom. Zo kromp ze tot het formaat van een krekel en werd ze in een kooitje opgesloten, waar ze verlangend uitzag naar de dood. Van deze of van de zogeheten Joodse Sibylle zouden ook de sibyllijnse boeken, de Oracula Sibyllina, afkomstig zijn, die religieuze voorschriften en spreuken bevatten en werden bewaard in een tempel op het Capitool. Belangrijke Sibyllen zijn er verder in Delphi, Samos, Libië en Tivoli (Tibur).

De Romeinse schrijver Varro uit de 1e eeuw v.C. noemt als eerste het aantal van tien Sibyllen. Een verbinding tussen oudheid en christendom vormt de traditie volgens welke de Sibylle van Tibur (Tivoli) aan keizer Augustus de geboorte van Christus had voorspeld. Augustinus herhaalde in de 4e eeuw de al eerder gemaakte vergelijking tussen de Sibyllen en de profeten. In de middeleeuwen komt het aantal Sibyllen gaandeweg op twaalf en worden ze pendanten van de oudtestamentische profeten. De apocriefe boeken Oracula Sibyllina uit de 2e tot 7e eeuw hebben nauwelijks iets met die uit Rome gemeen. Zij gaan op joods gedachtegoed terug, in welke sfeer ook de over-levering thuishoort dat de Sibylle van Erythrea de dochter van Noach zou zijn. Deze teksten waren voor Dante en andere dichters bron van inspiratie voor beschrijvingen van de verschrikkingen van de hel. Zo figureren ze in het Dies irae van Thomas van Celano (13e eeuw) en in de Tiburtina analecta uit de 15e eeuw.

In de oudheid zijn de Sibyllen slechts zelden voorgesteld, bijvoorbeeld op een marmeren altaar uit de tijd van Augustus in Sorrento en op enkele schilderingen in Pompeii. Samen met Aeneas komt de Sibylle van Cumae eenmaal in Pompeii voor. Op het mozaïek van de triomfboog in de Santa Maria Maggiore te Rome eerste helft 5e eeuw n.C. zit een Sibylle naast de kribbe van Jezus tijdens het bezoek van de Drie Wijzen.

In wisselende aantallen of alleen figureren ze in de schilderkunst vanaf de 15e eeuw. De vrouwen worden jong afgebeeld, veelal met een van de sibyllijnse boeken en voorts met individuele attributen. Soms verkeren ze in gezelschap van de profeten, bijv. bij Perugino 1496-1500 in het Collegio di Cambio te Perugia, Ghirlandaio 1483-86 in de Sassetti-kapel van de San Trinità te Florence, Pinturicchio 1492-95 in het Appartamento Borgia in het Vaticaan en 1501 in de Santa Maria Maggiore te Spello, Romanino 1525 in de kathedraal van Asolo en Cavaliere d’Arpino ca. 1592 in de Santa Prassede te Rome. Ook vloermozaïeken in de zijschepen van de dom van Siena 1482-83 en in de dom van Piacenza 1626 van Guercino hebben dit thema. De bekendste Sibyllen zijn die van Michelangelo 1508-12 op het plafond van de Sixtijnse kapel in het Vaticaan.

Reeds in 1432 schilderen de gebroeders Van Eyck op het altaar van Gent de verkondiging van Christus’ komst door de Sibyllen van Erythrai en Cumae. De voorspelling aan Augustus is uitgebeeld door de zgn. Bovenrijnmeester 1440-67 en de Meester van de Tiburtijnse Sibylle, gevolgd door Antonio Palma ca. 1560, Veronese ca. 1575 en Caron ca. 1580. De houten koorbanken van Syrlin de Oudere 1469-74 in de Münster van Ulm zijn met portretten van Sibyllen, profeten en antieke geleerden versierd.

In de latere beeldende kunst gaat het om de ontmoeting van Aeneas met de Sibylle van Cumae, bijv. Jan Brueghel i ca. 1619 en Turner 1798. Maar-ten van Heemskerck 1564 (Rijksmuseum Amster-dam) en Guercino 1651 hebben de Sibylle van Erythrai als afzonderlijke persoonlijkheid voorgesteld. Rosa ca. 1663 plaatst Apollo met de Sibylle van Cumae in een landschap, evenals de genoemde Turner, die daarvoor Baia als achtergrond neemt.

De muziekgeschiedenis geeft maar twee wer-ken met de Sibyllen: een 16e-eeuws koorwerk met profetische teksten van Orlando di Lasso en een fragmentarisch gebleven werk van Orff 1973 over het einde der tijden, zoals dat in het eerste tableau door de Sibyllen voorspeld wordt.