Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Kekrops & zijn dochters

betekenis & definitie

Kekrops, de mythische stichter of althans een van de eerste koningen van Athene, ontsproot aan de bodem van Attika en had het onderlichaam van een slang. Hem wordt de bouw toegeschreven van de burcht van Athene, de Kekropeia (later de Akropolis), en hij zou ook het geschil tussen Poseidon en Athena om de heerschappij over Attika hebben beslecht ten gunste van Athena. Hij trouwde met Aglauros, die hem één zoon schonk, Erysichthon, en drie dochters: Herse, Aglauros en Pandrosos.

Toen de godin Athena eens werd aangerand door Hephaistos, veegde ze zijn zaad van haar lichaam. Het zaad viel op aarde, en daaruit schoot Erichthonios op, naar verluidt eveneens met het onderlichaam van een slang. De godin borg Erichthonios in een mand en vertrouwde hem toe aan de dochters van Kekrops met het verbod de mand te openen. Toen ze dat toch deden, waren ze zo ontzet over hetgeen ze zagen dat ze zich in hun schrik en waanzin van de Akropolis stortten. Later zou Kekrops de macht over Athene hebben overgedragen aan Erichthonios.

De mededelingen van de schrijvers (Apollodoros, Hyginus, Plinius, Euripides in zijn stuk Ion) over genealogie en gebeurtenissen lopen overigens sterk uiteen. Ovidius, die geen melding maakt van het monsterlijke kind, maar van een normale baby met naast zich een slang, laat de dochters van Kekrops overleven ondanks hun nieuwsgierigheid. Hij voegt toe dat Hermes verliefd werd op Herse. Athena, nog steeds wraak-zuchtig, en vooral jegens Aglauros, die het initiatief had genomen tot het openen van de mand, geeft haar een ziekelijke jaloezie in jegens Herse. Als Hermes Herse wil bezoeken, blokkeert Aglauros de toegang en zweert dat ze zich niet van haar plaats zal roeren totdat Hermes is verdreven. Hij slaat haar daarop met een eeuwig onvermogen om zich te bewegen, waardoor ze uiteindelijk versteent.

Op 5e-eeuwse Attische vazen wordt afgebeeld hoe Gaia, de personificatie van de aarde, Erich-thonios na diens geboorte aan Athena overhandigt. Kekrops, herkenbaar aan zijn slangenstaart, is aanwezig bij de strijd tussen Athena en Poseidon in het reliëf van Pheidias’ atelier 438-432 op de westgevel van het Parthenon.

In de nieuwe tijd zijn er, na een vroege voorstelling van de hand van Del Piombo ca. 1511 in de Villa Farnesina te Rome, in navolging van illus-traties in uitgaven van Ovidius vanaf midden 16e eeuw (bijv. gravures van Goltzius ca. 1590), schilderijen met de vondst van Erichthonios van o.a. Rubens ca. 1615 en ca. 1633, Jordaens ca. 1617 (Kon. Museum voor Schone Kunsten Antwerpen), Heerschop ca. 1650-60 (Rijksmuseum Amsterdam) en Rosa ca. 1660 en drie tekeningen van Rembrandt tussen 1637 en 1648.

Herse en de verliefde Hermes komen in de Hollandse school voor in het werk van o.a. Van Poelenburch ca. 1624 (Mauritshuis Den Haag) en ca. 1635 (Nationaal Museum Het Loo te Apeldoorn, uit de verzameling van koning/stadhouder Willem iii voor dat paleis) en Moeyaert 1624 (Mauritshuis Den Haag). In de Zuidelijke Nederlanden is er een schilderij van J. Quellinus 1696 (Kon. Musea voor Schone Kunsten Brussel). Turner schilderde het thema in 1811. Erysichton werd, zo vertelt Ovidius, door een voortdurende honger gekweld als straf van Demeter, omdat hij een heilige eik had omgekapt. Hij verkocht uit wanhoop zelfs zijn dochter Mestra. Alleen Steen ca. 1653 waagde zich aan een uitbeelding van dit verhaal (Rijksmuseum Amsterdam).

Het door Ovidius beschreven blokkeren van de kamer van Herse door Aglauros is geschilderd door Veronese ca. 1580, Poussin ca. 1627, Flinck ca. 1640 en Pierre 1763. In dit verband verdient een gobelin in het stadhuis van Nijmegen vermelding, vervaardigd met het oog op de onderhandelingen over de Vrede van 1678 naar ontwerp van Romanelli; het maakt deel uit van een metamorfo-senreeks van zeven stuks. Op een fresco van Pietro da Cortona ca. 1645 in het Palazzo Pitti te Florence bevindt Kekrops zich bij Athena, die ter symbolisering van de vrede een olijfboom plant.

In de literatuur komt Kekrops slechts voor in relatie met de tweestrijd tussen Poseidon en Athena, bijv. in gedichten van Ronsard 1569 en Spenser 1590-96. Enkele opera’s hebben de lotgevallen van de dochters tot onderwerp: Franck 1679 en Strungk 1680 op een libretto van Königsmarck, voorts Krieger 1688.