Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Hephaistos

betekenis & definitie

Hephaistos (Lat. vulcanus of Mulciber). Alleen Hesiodos meldt dat Hera, toen Zeus het leven schonk aan Athena, die uit zijn hoofd verrees, als ‘tegenzet’ zonder tussenkomst van Zeus of een andere man het leven schonk aan Hephaistos. Bij Homeros en latere auteurs is hij zoon van Zeus en Hera en splijt hij met een dubbele bijl de schedel van Zeus open, zodat Athena kan worden geboren.

Hephaistos blijkt bij zijn geboorte lelijk en kreupel. Hera zou zo ontgoocheld zijn geweest over het kind dat ze het vanaf de Olympos in zee wierp, waar het gered en grootgebracht werd door Thetis en een dochter van Okeanos, Eurynome. Ook Zeus slingerde hem eens van de Olympos, en wel toen hij in een twist tussen Zeus en Hera de zijde koos van zijn moeder. Na een val die een dag duurde, belandde hij op Lemnos, dat voortaan zijn lievelingseiland zou blijven. Uit een gedicht van Alkaios uit de 6e eeuw weten we hoe Hephaistos zich op zijn moeder wreekte door haar een gouden troon te zenden waaruit zij niet meer kon opstaan zonder zijn hulp. Pas Dionysos gelukte het Hephaistos, door hem dronken te voe-ren, naar de Olympos terug te leiden, waar hij zijn moeder uit haar benarde positie bevrijdde.

Hephaistos is de god van het vuur – hij hanteert het soms als wapen, met gebruikmaking van een gloeiende tang of blaasbalg, bijvoorbeeld op het Grieks-Trojaanse slagveld door daar de rivier de Skamandros droog te leggen en zo Achilleus voor een verdrinkingsdood te behoeden – en patroon van de smeden en van de handwerkers in het algemeen. Hij is ook zelf een bekwame handwerker, uitvinder en kunstenaar: bouwer van goddelijke paleizen, smid voor de goden en soms ook voor stervelingen. De tegenstelling tussen zijn lichamelijke gebreken en zijn schitterende producten wordt regelmatig in literatuur en kunst benadrukt. Allerhande voorwerpen en wapenen komen uit zijn smidse, bijv. de bliksemschichten van Zeus, de pijlen van Artemis en Apollo en de halsband van Harmonia. Homeros beschrijft door hem vervaardigde automaten: twintig gou-den drievoeten die de goden van spijs en drank voorzien, en drie gouden meisjes die hem, de lam-me, ondersteunen. Op verzoek van Thetis smeedt hij na de dood van Patroklos een nieuwe wapenrusting voor haar zoon Achilleus, hetgeen Aphrodite hem ook laat doen voor Aeneas. Het schild van Achilleus wordt door Homeros uitvoerig beschreven als een waar kunstwerk. Op bevel van Zeus ketent hij Prometheus aan de Kaukasus en maakt hij de eerste vrouw, Pandora.

Is in de Ilias Charis zijn vrouw, in de Odyssee is het Aphrodite, beiden godinnen die schoonheid en charme belichamen en zodoende met de smids-god contrasteren en tegelijk ook zijn kundigheid ‘belonen’. Wanneer Hephaistos zijn echtgenote Aphrodite met Ares betrapt in zijn eigen echtelijk bed, spreidt hij over hen een alleen door hem te openen net uit en roept hij de andere goden erbij, die in een homerisch lachen uitbarsten. Zelf trachtte hij Athena te verleiden.

De werkplaats van Hephaistos is in de loop van de eeuwen op verschillende plaatsen gesitueerd: naast Lemnos vinden we de Vesuvius of de Etna dan wel de Liparische eilanden. Vooral in de latere literatuur worden hem de Kyklopen als assistenten toegedacht.

In de archaïsche en klassieke tijd vinden we in de kunst voornamelijk het terugvoeren van Hephais-tos naar de Olympos en de geboorte van Athena, waarvan de oudste voorstelling al van ca. 680 v.C. dateert. Het gaat vrijwel uitsluitend om afbeeldingen op vazen. Voor het laatst is Athena’s geboorte voorgesteld op de oostgevel van het Parthenon van Pheidias 438-432 v.C. In de Gigantomachie (Giganten) bedient de god zich soms van de blaasbalg (fries van het schathuis van de Siphniërs te Delphi ca. 525 v.C.). De mankheid is vaak aangegeven in de vorm van kromme benen of verdraaide voeten. Voorts is de smidsgod herkenbaar aan zijn korte kleed, hamer of tang en muts. Het cultusbeeld in de Hephaistos-tempel op de Agora te Athene van Alkamenes ca. 420 is helaas niet bewaard gebleven, maar bekend in de vorm van marmeren en bronzen kopieën en van voorstellingen op munten en reliëfs. Vanaf het hellenisme is Hephaistos geliefd in schilderkunst en mozaïek en wordt hij in zijn smidse afgebeeld, vaak terwijl hij voor Thetis de nieuwe wapens maakt. Op Romeinse sarcofagen is de moeder van Achilleus meestal afwezig.

In de nieuwe tijd is de smidse van Hephaistos dikwijls onderwerp van een schoorsteenstuk, bijvoorbeeld een schildering van Peruzzi ca. 1511 in de Villa Farnesina te Rome en van Luini ca. 1520 voor de Villa Pelucca te Milaan, thans in de Brera te Milaan. Andere vroege werken zijn er van Man-tegna 1497 en Il Sodoma ca. 1510. Hephaistos kan staan voor het vuur als een van de vier elementen (bijv. bij Gherardi in het Palazzo Vecchio te Florence 1555-56 en werken van de gebroeders Bassano tweede helft 16e eeuw), voor de bekwaamheid van de werkman of voor de militaire bewape-ning. Het laatste is het geval bij Tintoretto ca. 1578 in het Palazzo Ducale te Venetië, bij Pietro da Cortona 1644 in het Palazzo Pitti te Florence en bij Van Thulden ca. 1647 in Huis Ten Bosch te Den Haag. Soms gaat het om het smeden van de wapenrusting van Achilleus (bijv. Mantovano ca. 1528-32 in het Palazzo del Te te Mantua), vaker om de wapenen van Aeneas: aldus tweemaal Van Dyck in de periode 1627-32 en de gebroeders Le Nain 1641. In de barok en vooral in de rococo wordt daarbij veelal de tegenstelling tussen de verleidelijke Aphrodite en de ruwe werkman geaccentueerd: Rubens ca. 1617, Natoire 1734 en Boucher 1757.

Hephaistos is hoofdpersoon in drie stukken van Maarten van Heemskerck ca. 1540 die misschien bijeen hebben gehoord: Aphrodite in de smidse; het smeden van de wapenen voor Achilleus; het vangen van Aphrodite en Ares in het net. Een schildering van Velázquez ca. 1630 met de werkplaats van Hephaistos heeft met deze overspelige verhouding een zeker verband: Apollo komt Hephaistos dit feit berichten. Tintoretto stelt hem ca. 1541 voor met Eros, en in het genoemde stuk in het Palazzo Ducale met de Kyklopen, die hier als zijn knechten optreden. Ook J. de Bray 1683 (Frans Hals Museum Haarlem) stelt de god als smid voor. Piero di Cosimo ca. 1492 beeldt de jonge Hephaistos op Lemnos uit in een nieuwe, niet aan de oudheid ontleende iconografie, terwijl een pendant de god met Aiolos (god van de winden) in zijn smidse toont.

Als hoofdfiguur in de verhouding tot Aphrodite of als nevenfiguur heeft Hephaistos zijn optredens in de meest uiteenlopende literaire en muzikale genres: in een komedie van Lyly (Sapho and Phao, 1582), een ode van Hölderlin 1802, een opera van Draghi/Minato 1686, een ‘Singspiel’ van Pohle/Heidenreich 1679, cantates van Cléram-bault 1726 en Février 1727 en een ‘ballad opera’ van Forrest naar Fuzelier en Legrand 1729.