Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Kassandra

betekenis & definitie

Kassandra, ook Alexandra genaamd, bij Homeros nog slechts de mooiste en geliefde dochter van het Trojaanse koningspaar Priamos en Hekabe, worden in de latere literatuur profe-tische gaven toegedicht, evenals aan haar tweelingbroer Helenos. Volgens de traditie, verwoord door onder anderen Aischylos, was Apollo ooit op Kassandra verliefd geworden en had hij haar ingewijd in de zienerskunst, in ruil voor haar belofte zich aan hem te geven. Toen ze na het onderricht op haar belofte terugkwam, strafte Apollo haar door haar het vermogen te ontnemen anderen te overtuigen van de juistheid van haar profetieën. Die straf verklaart haar vergeefse onheilsvoorspellingen vóór, tijdens en na de Trojaanse oorlog. Zo waarschuwt ze dat de schaking van Helena door Paris zal leiden tot de ondergang van Troje. Later verzet ze zich tegen het binnenhalen van het door de Grieken achtergelaten houten paard (Laokoön).

Na de val van Troje zoekt ze in de tempel van Athena bij het beeld van de godin bescherming tegen de ‘kleine’ Aias, zoon van Oïleus, die haar echter overweldigt en daarbij het beeld omverwerpt. Deze schanddaad wekt de woede op van Athena en leidt tot de vernietiging van een groot deel van de Griekse vloot tijdens de terugreis.

Kassandra wordt als oorlogsbuit toegewezen aan Agamemnon, die liefde voor haar opvat. Bij hun aankomst in Mykene worden ze omgebracht door Agamemnons vrouw Klytaimnestra en haar minnaar Aigisthos: onderwerp van Aischylos’ tragedie Agamemnon.

Haar tragische gestalte, die zo lang gebukt is ge-gaan onder de voorkennis van onheil, krijgt met name bij Aischylos reliëf: ze beklaagt zich tegenover Apollo over haar bittere bestaan, ziet voor haar geestesoog de tragische gebeurtenissen die zich binnen het geslacht van Pelops reeds hebben voorgedaan, en voorspelt in een profetische trance de dubbele moord op Agamemnon en haarzelf. Ook in Euripides’ Trojaanse vrouwen voorziet ze die moord, evenals de ongelukkige omzwervingen van de gehate Odysseus. In het begin van de 2e eeuw v.C. voert Lykophron haar in zijn gedicht Alexandra op als brengster van een groot aantal onheilsvoorspellingen, waardoor Priamos, deze voorspellingen moe, haar zelfs laat opsluiten.

Het meest populaire thema, Kassandra en Aias, verschijnt in de 6e eeuw v.C. op vazen, schildbanden en reliëfs en blijft in reliëfs en schilderkunst ook in de Romeinse tijd geliefd. De oostgevel van de Asklepios-tempel in Epidauros had een fragmentarisch bewaard gebleven beeldengroep met dit thema van Tektorides ca. 380-375. Steeds om-klemt Kassandra het Palladion, terwijl Aias haar met een zwaard bedreigt of aan de haren trekt. Op een schildering in het Huis van de Menander te Pompeii uit de 1e eeuw n.C. ziet Priamos machteloos toe, terwijl links van hem Helena wordt beetgepakt door Menelaos en rechts Kassandra door Aias. We kennen slechts luttele voorstellingen in keramiek en sarcofaagreliëfs van de voorspellingen aan Priamos en Paris.

Via Boccaccio (o.m. De mulieribus claris ca. 1361) en Chaucer maakt Kassandra in de nieuwe tijd vooral opgang in de Engelse literatuur: Barn-field 1595, Shakespeares Troilus and Cressida ca. 1602, Settles libretto voor de opera van Finger 1701 (Virgin Prophetess), een burleske van Reece 1868 en tal van gedichten, o.m. van Heywood 1609, Meredith 1862 en Rossetti 1870. Een tragedie van La Calprenède midden 17e eeuw was redelijk populair in Frankrijk en daarna in vertaling in Engeland. In de 19e- en 20e-eeuwse Duitse literatuur speelt Kassandra een belangrijke rol, van gedichten van Schiller 1802 en Platen 1832, toneelwerken van Zirndorf 1856, Gessler 1877, Kastropp 1890, König 1903, Ernst 1915 en Schwarz 1941 tot een roman van Christa Wolf 1983.

In de beeldende kunst is Kassandra na de oudheid maar zelden voorgesteld. Een enkele schilder, bijv. Rivalz eerste kwart 18e eeuw, beeldt af hoe Aias Kassandra ruw bejegent. In de meeste kunstwerken, vooral in de 19e en 20e eeuw, is zij de sombere zieneres: Langlois 1817, Haydon 1834, Sandys ca. 1864 en Hofer 1936. In de beeldhouwkunst komt zij voor bij Pradier 1843, Klinger 1895 en Marcks 1947.