Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Herakles

betekenis & definitie

Herakles (Lat. hercules) is de zoon van Zeus en Alkmene. Bij Amphitryon & Alkmene is beschreven hoe hij werd verwekt door Zeus, die daartoe de gestalte van Alkmenes echtgenoot Amphitryon had aangenomen, en hoe de jaloerse Hera ervoor zorgde dat een andere telg uit het geslacht van Perseus, Eurystheus, net even eerder werd geboren dan Herakles, zodat deze Eurys-theus het door Zeus aan Herakles toegedachte koningschap over Argos verwierf en mede daardoor in de positie kwam om Herakles onmenselijk zware taken op te leggen.

Herakles groeide mogelijk onder de naam Alkides (naar zijn grootvader Alkaios) op in Thebe, samen met zijn ‘tweelingbroer’ Iphikles, een echte zoon van Amphitryon. Hij was nog geen jaar oud toen hij twee door zijn levenslange vijandin Hera gezonden dan wel door Amphitry-on in bed gelegde giftige slangen te lijf ging en eigenhandig wurgde. Zo werd duidelijk wie van de twee kinderen de zoon van Zeus was.

Met betrekking tot zijn opvoeding weten we dat Amphitryon hem leerde paardrijden en wagen-mennen, en dat hij het boogschieten leerde van Eurytos. In het lierspel, waarin zijn muziekleraar Linos hem trachtte te bekwamen, vond hij geen genoegen. Toen Linos zijn leerling, die weigerde zich in te spannen, wilde bestraffen, sloeg Herakles hem met het muziekinstrument de schedel in.

Op zijn achttiende jaar verrichtte hij zijn eerste heldendaad door een leeuw te doden die rond de berg Kithairon huishield onder het vee van Amphi-tryon en van Thespios, koning van het aangrenzende gebied. Vanuit Thespios’ paleis maakte Herakles gedurende vijftig dagen elke dag jacht op het dier. Thespios liet bij die gelegenheid elke nacht een andere van zijn vijftig dochters bij zijn gast slapen. Terwijl de door vermoeidheid en drankgebruik overmande jager meende steeds met hetzelfde meisje te slapen, wist de koning zo vijftig door Herakles verwekte nakomelingen te krijgen.

Vervolgens bond Herakles de strijd aan met de koning van Orchomenos, Erginos, die na een eertijds behaalde overwinning een zware schatting had opgelegd aan Thebe. Na het behalen van de overwinning schonk de koning van Thebe, Kreon, Herakles uit dankbaarheid de hand van zijn oudste dochter Megara, die hem drie zonen schonk. Iphikles kreeg een andere dochter van Kreon tot vrouw, terwijl hij uit een vorig huwelijk een zoon Iolaos had. Het huwelijk met Megara eindigde in een tragedie toen Hera Herakles met waanzin sloeg en hij zijn eigen kinderen en enkele van Iphikles doodde. Door het ingrijpen van Athena bleven Amphitryon, Iphikles, Megara en Iolaos gespaard. Toen Herakles weer tot zichzelf kwam, verliet hij Thebe, liet zich door Thespios zuiveren en trok naar Delphi. Het orakel aldaar droeg hem op zich in dienst te stellen van Eurystheus en zijn opdrachten ten uitvoer te brengen. Daar zou dan wel onsterfelijkheid tegenover staan.

Van de gangbare traditie wijkt Euripides in zijn tragedie Herakles af met een andere chronolo-gie: Herakles keert pas ná het verrichten van zijn opdrachten naar Thebe terug om pas dan door de fatale vlaag van waanzin te worden getroffen.

De onmenselijk zware opdrachten die Herakles van Eurystheus opgelegd krijgt, zijn gaandeweg gecanoniseerd in een twaalftal: de dodekathlos. Tijdens zijn tochten overkomen Herakles gebeurtenissen die tot andere heldendaden aanleiding geven. Op cruciale momenten geniet hij bijstand van Athena, die hem ook het merendeel van zijn wapens verschaft, terwijl Hermes voor de pijl en boog, Hephaistos voor het kuras en Poseidon voor de paarden zouden hebben gezorgd. De meest kenmerkende attributen heeft Herakles zelf weten te bemachtigen: de enorme knots en de huid van de leeuw van Nemea, waarmee hij zich in zijn eerste opdracht moest meten. De kop van het dier diende hem als helm, met de open-gesperde muil als vizier.

De meeste opdrachten houden een kracht-meting in met monsterlijke wezens. Enkele van deze monsters, zoals de leeuw van Nemea en de Hydra van Lerna, zouden zich hebben ontwikkeld onder bescherming van Hera. Soms moet Herakles het ondier doden, soms moet hij het levend naar Eurystheus brengen. In het laatste geval wordt Eurystheus meestal door vrees bevangen als Herakles hem met de buit confronteert. In het algemeen weet Eurystheus ook niet wat hij met de buit moet aanvangen.

De eerste krachtmeting was die met de leeuw van Nemea. Het dier ging verwoestend rond in Nemea, ten noorden van Argos, en verslond mensen en vee. De leeuw toonde zich onkwetsbaar voor de pijlen van Herakles. Die maakte daarop een knots en dwong het dier in zijn hol, sloot een van beide uitgangen af, klemde het in zijn armen en wurgde het.

De Hydra van Lerna was een draakachtig dier met ten minste vijf, maar volgens sommige schrij-vers wel honderd koppen, die een dodelijke adem uitbliezen. Hera maakte het Herakles nog extra lastig door een landkrab te sturen die hem in het onderbeen beet. De held, geholpen door zijn neef Iolaos, ging het monster te lijf met brandende pijlen en een kort zwaard. Omdat uit elke door-gehakte nek twee nieuwe koppen zouden aangroeien, schroeide Iolaos met brandende stukken hout de wonden dicht. De middelste, onsterfelijke kop begroef Herakles onder een rotsblok. In het gif uit het lijf van de Hydra doopte Herakles zijn pijlen, die daarmee ongeneeslijke wonden konden veroorzaken.

De volgende opdracht was de vangst van de snelle en vervaarlijke hinde van Keryneia, die aan Artemis toebehoorde. Pas na een jacht van een jaar wist Herakles het dier zo af te matten dat het zich liet vangen. Van Artemis en haar broer Apollo kreeg hij gedaan dat ze hem met het dier lieten gaan, mits hij het later weer zou vrijlaten.

Ook het zwijn van de berg Erymanthos moest levend gevangen worden. Herakles joeg het dier met kreten uit zijn schuilplaats, dreef het een dik sneeuwveld in, ving het met een net en bracht het op zijn schouders naar Eurystheus.

Tijdens de tocht naar de Erymanthos kwam Herakles in conflict met de Kentauren. Hij werd naar behoren ontvangen door de Kentaur Pholos, die voor zijn bijzondere gast op diens verzoek een aan de Kentauren gezamenlijk toebehorend vat wijn aansloeg. De wijngeur trok de andere Kentauren aan, die, in hun wildheid of dronkenschap, Herakles tartten en hem dwongen zich te verdedigen met zijn giftige pijlen. Tijdens de begra-fenis van de gedode Kentauren kwam ook Pholos om, toen hij een schram opliep van een giftige pijl die in het lichaam van een gedode Kentaur was blijven steken.

De vogels van het Stymphalos-meer bevuilden de gewassen of lieten de oogsten op andere wijze mislukken en verslonden mogelijk zelfs mensen. Hun ijzeren veren gebruikten zij als dodelijke pijlen. Ze werden door Herakles opgeschrikt met een bronzen ratel die door Hephaistos was vervaardigd en hem door Athena ter hand was gesteld. Vervolgens haalde hij ze een voor een met zijn pijlen neer.

De stallen van Augias. Augias, koning van Elis en bezitter van een grote veestapel, had zoveel mest in zijn stallen opgeslagen dat ze onbruikbaar waren geworden, en het omliggende land was onvruchtbaar geworden. Eurystheus droeg Herakles op de stallen binnen één dag uit te mesten. In aanwezigheid van Augias’ zoon Phileus bedong Herakles als beloning een tiende van de veestapel. Hij klaarde het karwei door een bres te slaan in de stalmuren en de rivieren Alpheios en Peneios door de stallen te leiden. Augias onthield, tot ongenoegen ook van Phileus, Herakles de toegezegde beloning.

Het conflict met Augias zou later, na voltooiing van de twaalf heldendaden, worden beslecht. Een eerste expeditie had voor Herakles een ongelukkig verloop. De twee door Augias te hulp geroepen neven, Eurytos en Kteatos, de ‘Molioniden’, vernietigden de troepen van Herakles en brachten zijn broer Iphikles dodelijke wonden toe. Nadien lokte Herakles de twee in een hinderlaag en doodde hen, trok op naar Elis en doodde Augias. Phileus werd op de troon geïnstalleerd.

De stier van Kreta is volgens de meeste auteurs de stier die Poseidon aan Minos ter beschikking had gesteld om te offeren, maar die door Minos aan zijn kudde was toegevoegd. Poseidon maakte dat de stier dol werd en hevig huishield op Kreta. Herakles moest hem levend vangen en naar Mykene overbrengen als offer voor Hera. Maar deze godin weigerde het offer. Het beest werd vrij-gelaten en zou pas bij Marathon worden gevangen en gedood door Theseus.

De merries van Diomedes, koning van de Bistonen, in Thracië, aten mensen. Herakles had de opdracht deze paarden te vangen. Hij joeg de Bistonen uiteen en gaf Diomedes als voedsel aan de paarden, die daarna mak werden en door Herakles werden overgebracht naar het hof van Eurystheus.

De mythografen situeren tijdens deze reis naar Thracië de interventie van Herakles in de lotgevallen van Alkestis & Admetos: de worsteling van Herakles met de Dood, waarna hij Alkestis kon terugleiden naar het rijk der levenden.

De gordel van Hippolyte, koningin van de Ama-zonen, was een geschenk van Ares en gold als symbool van haar macht over de Amazonen. Herakles, met een kleine expeditie uitgezonden om zich van de gordel meester te maken, werd vriendelijk ontvangen door Hippolyte, die hem zelfs de gordel toezegde. Maar Hera, vermomd als Amazone, zette de vrouwen tegen hem op, toen hij zich moeiteloos van deze opdracht had gekweten. Herakles meende nu bedrogen te worden door Hippolyte, doodde haar, rekende af met de Amazonen en zette mét de gordel koers naar Mykene.

Tijdens deze terugreis landde Herakles bij Troje. De stad, onder koningschap van Laomedon, ging gebukt onder een door Apollo gezonden pest en een door Poseidon gezonden allesverslindend zeemonster; het was een wraakactie omdat Laomedon hun het loon niet had uitbetaald dat zij voor de bouw van de stadsmuren waren overeengekomen. De koning stond op het punt zijn dochter Hesione aan het monster te offeren en had haar al vastgebonden aan een rots op de kust. Herakles verklaarde zich bereid het monster te doden en het meisje te redden, in ruil voor de merries die ooit door Zeus aan Laomedon waren geschonken. Hij slaagde hier met hulp van Athena in. Maar toen Herakles zijn beloning opeiste, kwam Laomedon op zijn belofte terug. Herakles vertrok, maar zwoer wraak te zullen nemen.

Na de voltooiing van de twaalf opdrachten van Eurystheus zou die wraakactie volgen. Herakles ging met een expeditie van achttien schepen en in het gezelschap van zijn trouwe strijdmakker Telamon, koning van Salamis, scheep naar Troje. Telamon slaagde er als eerste in een bres in de muren te maken en de stad binnen te dringen, tot ongenoegen van Herakles. Telamon, dit ongenoe-gen bemerkend, verklaarde dat hij met de stenen uit de bres een altaar wilde oprichten voor Herakles, de overwinnaar. Herakles doodde Laomedon en al zijn kinderen, met uitzondering van Hesione en op haar verzoek haar broer Podarkes (de latere koning Priamos). Hesione werd tot vrouw gegeven aan Telamon.

De tiende daad was het buitmaken van de runderen van Geryoneus, een reus met drie hoofden en drie lijven, die op het eiland Erytheia woonde, ver in het westen, nog voorbij de Okeanos. Zijn immense kudden runderen werden bewaakt door de herder Eurytion en de monsterlijke hond Orthros. Op hetzelfde eiland weidde de herder Menoites de kudden van Hades.

Herakles trok naar het westen via de woestijn van Libië, maar geplaagd door de hitte bedreigde hij met zijn pijlen de zonnegod Helios. Deze stelde hem daarom de grote gouden beker ter beschikking waarin de zonnegod, na zijn baan te hebben beschreven van het oosten naar het westen, dagelijks placht terug te keren naar het oosten. Gezeten in deze beker stak Herakles in zee en belandde op het eiland. Bij de vaart door de Straat van Gibraltar richtte hij de naar hem genoemde ‘zuilen van Hercules’ op.

Op het eiland doodde hij met zijn knuppel zowel Orthros als Eurytion, om vervolgens met succes de strijd aan te binden met de inmiddels door Menoites gewaarschuwde Geryoneus. Met het buitgemaakte vee stak hij weer de Okeanos over in de beker, die hij vervolgens aan Helios teruggaf, waarna hij te voet zijn tocht oostwaarts voortzette. Tijdens deze tocht overkwamen hem nog tal van avonturen, zoals de afrekening met de reus Alkyoneus, die de beesten probeerde te stelen. Op de Isthmos van Korinthe wierp de reus rotsblokken naar Herakles, die deze met zijn knots terugsloeg en zo Alkyoneus dodelijk wist te verwonden.

De Romeinse mythografen, die van Herakles de stichter maken van Herculaneum in Campanië en Herakleia op Sicilië, situeren de door Herakles in Italië verrichte daden gewoonlijk op deze terugreis. Op de plaats waar later Rome zou verrijzen, versloeg hij de driekoppige Cacus, omdat die zich meester had gemaakt van enkele van zijn runderen en deze in een hol had verstopt. Na nog een deel van zijn kudde te hebben verspeeld doordat de dieren dol waren gemaakt door een door Hera gezonden steekvlieg, keerde hij ten slotte aan het hof van Eurystheus terug.

Als voorlaatste (of laatste) opdracht van Eurys-theus moest Herakles hem de gouden appels van de Hesperiden bezorgen, die Gaia ooit als huwelijksgeschenk aan Hera had gegeven. Ze groeiden in een tuin ergens aan de westelijke rand van de wereld en werden bewaakt door een honderdkoppige draak en door de Hesperiden, dochters van Atlas. Over de route die Herakles naar het verre land nam, doen verschillende verhalen de ronde. Wel staat vast dat hij de nodige inlichtingen over de route aan de oude zeegod Nereus ontfutselde. Zoals wel meer zeegoden toonde Nereus zich weigerachtig om dergelijke informatie te verschaffen en onttrok hij zich aan de hardnekkige ondervrager door een eindeloze reeks transformaties te ondergaan. Herakles hield hem echter net zolang in zijn greep totdat hij de gevraagde inlichtingen verschafte.

Onderweg moest Herakles de strijd aanbinden met Kyknos, een bloeddorstige bandiet, zoon van Ares, die de stoffelijke resten van zijn slachtoffers aan zijn vader placht te offeren. Herakles doodde hem en bracht zelfs de te hulp geschoten Ares verwondingen toe. Zeus wist wraakacties van Ares te voorkomen.

Hij werd ook geconfronteerd met de wrede koning van Egypte, Bousiris. Deze offerde alle reizigers aan Zeus in de hoop op regen en goede oogsten. Ook Herakles was daartoe bestemd, toen deze op weg naar de tuin van de Hesperiden door zijn land trok. Herakles slaagde erin zich uit zijn boeien te bevrijden en doodde Bousiris.

In Libië kreeg Herakles Antaios tegenover zich, een reusachtige zoon van Poseidon en Gaia, die alle passanten dwong met hem op leven en dood te worstelen. Hij was in feite onoverwinnelijk zolang hij contact met de aarde (zijn moeder) behield. Herakles tilde hem van de grond en verpletterde hem in een houdgreep. Voorts sloeg hij een aanval af van weer een andere zoon van Ares, Lykaon, die daarbij het leven liet. Hetzelfde lot trof de Ethiopische koning Emathion.

Uiteindelijk belandde Herakles in de nabij-heid van de tuin van de Hesperiden. Hij trof er de Titaan Atlas, die de hemel op zijn schouders torste. Atlas was bereid de appels op te halen, mits Herakles in de tussentijd zijn last overnam. Atlas keerde terug met de appels, maar gaf er bij nader inzien de voorkeur aan de appels zelf naar Eurystheus te brengen en het dragen van de hemel aan Herakles over te laten. Deze ging daarmee akkoord, maar vroeg hem de last nog even over te nemen zodat hij een kussen op zijn schouders kon leggen. Vervolgens verdween Herakles met de appels. Toen Eurystheus de appels kreeg, wist hij niet goed wat hij ermee moest doen. Herakles stelde ze ter hand aan Athena, die ze terugbracht naar de plaats van herkomst.

De in de gebruikelijke opeenvolging laatste opdracht was het ontvoeren van Kerberos, de driekoppige hond die de toegang tot het dodenrijk bewaakte. Hij slaagde erin bij Tainaron aan de zuidkust van de Peloponnesos de ingang tot de onderwereld te vinden en boezemde de veerman Charon zoveel angst in dat deze bereid was Herakles over de Styx te zetten. In het dodenrijk deinsde hij terug voor de schim van Medousa, maar zijn begeleider Hermes stelde hem gerust: de schim kon geen kwaad doen. Hij trof er voorts Meleagros, die hem ontroerde met het verhaal over zijn einde en aan wie hij beloofde in het huwe-lijk te treden met zijn zuster Deianeira. Ook ontmoette hij er Theseus en Peirithoös.

Herakles verscheen voor de heerser van het dodenrijk, Hades, die hem toestond Kerberos met zich mee te voeren op voorwaarde dat hij het dier zonder hulp en met zijn blote handen zou overmeesteren. Herakles slaagde daarin en bracht het dier naar Eurystheus, die echter verschrikt in een vat wegdook. Herakles bracht Kerberos naar de Hades terug.

De dodekathlos is hiermee afgesloten. Er zijn nog andere verrichtingen, die met deze twaalf daden geen duidelijk verband houden, de zogenaamde parerga of praxeis. Uit twee verhalen blijkt de bijzondere relatie tussen Herakles en zijn goddelijke vader Zeus. Herakles bevrijdde Prometheus, die op bevel van Zeus voor eeuwig aan een rots in de Kaukasus was gekluisterd. De oppergod gedoogde dit, trots als hij was op zijn zoon. Volgens sommige bronnen verrichtte Hera-kles deze daad tijdens de tocht naar het westen en gaf Prometheus hem aanwijzingen om de appels van de Hesperiden te pakken te krijgen. In het tweede verhaal hielp Herakles Zeus en de zijnen in de strijd tegen de Giganten door de monsters met zijn pijlen neer te schieten. Deze assistentie zou zelfs de reden zijn geweest waarom Zeus bij Alkmene een bijzondere zoon had verwekt. Als dank kreeg Herakles na zijn dood een plaats op de Olympos. Met zijn vriend Hylas nam Herakles deel aan de expeditie van de Argonauten.

De volgende gebeurtenissen leidden tot het einde van Herakles’ leven. Ter vervulling van zijn belofte aan Meleagros trekt hij naar Kalydon om er te trouwen met Deianeira. Hij moet daartoe eerst een mededinger verslaan, Acheloös, de god van de gelijknamige rivier. In een tweegevecht neemt deze allerhande gedaanten aan, maar als hij zich op een bepaald moment in een stier heeft veranderd en Herakles een van zijn horens af-breekt, geeft hij zich gewonnen. Herakles trouwt met Deianeira die hem een zoon schenkt, Hyllos, en een dochter, Makaria. De afgebroken horen van Acheloös staat sinds Ovidius’ beschrijving in de Metamorfosen bekend als de ‘horen des overvloeds’.

Wanneer Herakles, te gast bij Kalydons koning Oineus, in een vlaag van drift een dienaar heeft gedood, omdat die een tafel heeft omgestoten en wijn heeft gemorst, begeeft hij zich met vrouw en kinderen in vrijwillige ballingschap naar Trachis. Onderweg helpt de Kentaur Nessos hen de rivier Euenos over. Maar tijdens de oversteek van Deianeira maakt hij van de situatie misbruik door haar aan te randen, waarop Herakles hem vanaf de andere oever met een van zijn giftige pijlen neerschiet. De stervende Nessos raadt Deianeira aan zijn bloed op te vangen en het later te gebruiken om Herakles, indien nodig, op te wekken tot liefde jegens haar. Deianeira gelooft dit en bewaart buiten medeweten van Herakles dit vergiftigde bloed.

In de periode te Trachis ontstaat een conflict met Eurytos, een Messeense of Thessalische koning en een fameus boogschutter. Eurytos had iedereen uitgedaagd zich met hem te meten in het boogschieten en aan de overwinnaar zijn dochter Iole in het vooruitzicht gesteld. Maar als Herakles de uitdaging aanneemt en de overwinning behaalt, weigert Eurytos hem de uitgeloofde prijs. In dit dispuut kiest van Eurytos’ zonen alleen Iphitos de zijde van Herakles. Eurytos zoekt ruzie en beschuldigt Herakles van veediefstal. Wanneer Iphitos zich bereid verklaart te helpen in het oplossen van de veediefstal, doodt Herakles hem in een vlaag van waanzinnige woede.

Herakles wil zich zuiveren en gaat het orakel te Delphi om raad vragen. Hij krijgt geen begrijpelijk antwoord en dreigt het heiligdom te vernietigen en een eigen orakelplaats te vestigen.
Hij grijpt de drievoet waarop de Pythia zetelt en raakt dan slaags met Apollo, die zijn heiligdom veilig wil stellen. Een uiteindelijk gegeven, wel verstaanbaar antwoord zegt dat hij zich voor een periode van drie jaar als slaaf moet verkopen.

Het is de Lydische koningin Omphale die Hera-kles koopt. In dienst van deze Omphale boekt Herakles nog enkele wapenfeiten. Hij rekent af met de twee Kerkopen, bandieten die op alle mogelijke manieren reizigers lastigvallen. Hij doodt ook Syleus, een wijnboer die passanten dwingt in zijn wijngaard te werken: deze Syleus wordt door Herakles met een kapmes gedood. Het verhaal lijkt op dat van Lityerses, een zoon van Midas, die als een waanzinnige de oogst van zijn velden maait, passanten uitnodigt of dwingt op zijn veld mee te werken en hun krachten met de zijne te meten; na het werk wordt de reiziger dan het hoofd afgesneden. Herakles handelt met Lityerses zoals deze met de passanten heeft gedaan.

Gaandeweg ontstaat tussen Omphale en Hera-kles een liefdesverhouding en weet Omphale hem te temmen. Zij neemt Herakles’ knots en leeuwen-huid over, terwijl hij zich hult in vrouwenkleren en zelfs muziek gaat spelen en garen spinnen.

De strafexpeditie tegen Eurytos wordt gesitueerd na de slavernij bij Omphale. Hij doodt Eurytos en zijn zonen en maakt zich meester van Iole, die zijn concubine wordt. Hij maakt zich dan op om naar zijn gezin in Trachis terug te keren en zendt Lichas vooruit. Deze Lichas meldt Deianeira dat Herakles een liefdesverhouding heeft aangeknoopt met Iole. Deianeira, in haar angst om de liefde van Herakles te verliezen, geeft Lichas een in de vermeende liefdesdrank, in werkelijkheid het giftige bloed van Nessos gedrenkte mantel mee. Als Herakles de mantel aantrekt, wordt hij gekweld door een vreselijke pijn, die hem niet meer zal verlaten: hij kan zich niet van de mantel ontdoen zonder zijn huid af te scheuren. In zijn razernij grijpt hij Lichas bij een voet en slingert hem de zee in. Hij laat zich naar Trachis vervoeren, waar Deianeira, die nu beseft wat ze gedaan heeft, zelfmoord pleegt. Herakles bouwt op de berg Oita een grote brandstapel om aan zijn lijden een einde te maken. Hij vraagt zijn dienaren deze aan te steken, maar die deinzen hiervoor terug: alleen Philoktetes of diens vader Poias durft aan het verzoek gehoor te geven, waar-op hij van Herakles de fameuze pijlen en boog ten geschenke krijgt. Een machtige bliksemschicht daalt op de brandstapel neer wanneer Herakles sterft.

Herakles wordt na zijn dood opgenomen in het gezelschap van de onsterfelijke goden. Het komt tot een verzoening tussen Hera en Herakles, en hij krijgt een dochter van Zeus en Hera, Hebe (godin van de jeugdige schoonheid en schenkster van de goden), tot vrouw.

Bij talrijke auteurs in de oudheid vinden we verwij-zingen naar Herakles’ daden en lotgevallen. De mythograaf Apollodoros geeft de meest complete biografie. Herakles is de bij uitstek doortastende held die recht op zijn doel afgaat, een man van weinig woorden, kortaangebonden, doordrongen van de op hem rustende plicht om de ondraaglijk zware taken te vervullen.

In de loop van de eeuwen krijgen zijn karakter en lotsbestemming veel verschillende kleuringen. Voor de moralisten en filosofen is hij het toonbeeld van menselijke (of mannelijke) deugdzaamheid en doorzettingsvermogen, waarmee hij zijn apotheose verdient. Zo ontwikkelde de sofist Prodikos in de 5e eeuw v.C., in navolging van Hesiodos’ opmerking in Werken en dagen, het thema van ‘Herakles op de tweesprong’: de in twee vrouwen gepersonifieerde keus tussen de deugd die naar de onsterfelijkheid voert, of een leven in wellust dat tot niets leidt. De uitgebreide versie in het Symposion van Xenophon is in later eeuwen uitermate populair geworden. De letter y stelt in dit verband vanaf de 1e eeuw v.C. deze driesprong voor en dientengevolge de keuze van de mens. In deze traditie staan zijn daden voor de beproevingen van de ziel. In de hellenistische literatuur wordt hij geschetst als een sombere held en enigszins dreigende gestalte, die bijvoorbeeld tijdens de expeditie van de Argonauten Iason en de zijnen op ruwe wijze tot het vervullen van hun plichten maant. Tegelijkertijd ook worden in deze periode zijn menselijke trekken geaccentueerd. Zo schetst Apollonios hoe Herakles zich overgeeft aan een intense smart als hij zijn vriend en metgezel Hylas verloren heeft. Zijn lotgevallen kunnen ook aanleiding zijn voor burleske teksten: aldus Loukianos over zijn ‘rolwisseling’ met Omphale.

Herakles speelt een bijrol of een ‘postume’ rol in een aantal tragedies. Aan te nemen is dat hij in een verloren gegane tragedie van Aischylos, De bevrijding van Prometheus, degene is die Prometheus bevrijdt. In Euripides’ Alkestis haalt hij de vrouw van Admetos terug uit het dodenrijk. Euripides behandelt in een ander stuk, Herakliden, de naweeën van de conflictueuze verhouding tussen Eurystheus en Herakles na diens dood. Eurystheus bedreigt het leven van de inmiddels bejaarde neef van Herakles, Iolaos, en van een aantal kinderen van Herakles (de Herakliden), die beschutting hebben gezocht in Athene. Als deze stad weigert hen uit te leveren, verklaart Eurystheus Athene de oorlog. Hij wordt verslagen door de dan terugkerende zoon van Herakles, Hyllos.

Herakles zelf is de hoofdpersoon in Euripides’ Herakles. Terwijl Herakles weg was, heeft Lykos de rechtmatige koning van Thebe, Kreon, gedood en de troon bestegen. Hij bedreigt het leven van de vrouw van Herakles, Megara, van hun drie zonen en van Herakles’ oude stiefvader Amphitryon. Herakles keert juist op tijd terug en doodt Lykos. Maar Hera slaat hem met een vlaag van waanzin waarin hij zijn vrouw en kinderen doodt en bijna zijn vader Amphitryon. Als hij tot zichzelf komt, is hij vervuld van wanhoop. Hij wordt door Theseus in bescherming genomen en naar Athene geleid om er van de moorden te worden gezuiverd.

Het thema is ook behandeld door Seneca in zijn tragedie Hercules Furens (De razende Herakles). Hij brengt enkele veranderingen aan ten opzichte van het Euripides-stuk: zo vindt het con-flict met Lykos zijn oorzaak in het feit dat Lykos naar de gunsten van Megara dingt.

De gebeurtenissen die tot de dood van Herakles leiden, zijn thema van Sophokles’ De vrouwen van Trachis: een tragedie die ook mythografisch van belang is, omdat zij de biografie een chronologisch kader heeft gegeven: achtereenvolgens de twaalf daden, de conflicten met Eurytos, de dood van Iphitos, de indiensttreding bij Omphale, de expeditie tegen Eurytos, de liefdesverhouding met Iole, Deianeira die hem de mantel met giftige stof zendt, en de dood op de brandstapel. Seneca behandelt in de Hercules Oetaeus (Herakles op de Oita) dezelfde stof, maar maakt van Deianeira een jaloerse virago en voegt de apotheose van Herakles toe.

De daden van de dodekathlos zijn alle uit vaasschilderingen van de 8e tot 5e eeuw bekend, maar populair waren vooral de Nemeïsche leeuw (meer dan 550 vazen), het Erymanthische zwijn, de stier van Kreta, de Amazonen (zeker 300 vazen), de Hydra van Lerna en Kerberos. Details als de krab bij de Hydra van Lerna zijn geprononceerd voorgesteld. Van de verdere verhalen is voor-al de roof van de drievoet geliefd geweest. Op oudere vaasschilderingen staan Apollo en Herakles naast de drievoet, op latere achtervolgt Apollo Herakles of is de laatste alleen afgebeeld. Uit de beeldhouwkunst zijn enige series met de dodekathlos als onderwerp bekend. Tot de oudste voorbeelden in reliëf behoren de 33 metopen van het Heraion te Paestum ca. 530 met naast de wer-ken de Kerkopen, Pholos en Deianeira en taferelen van andere mythologische gestalten. Uit deze tijd stamt ook een reeks metopen van de zoge-heten tempel c in Selinous (nu Archeologisch Museum Palermo). In de klassieke tijd volgen de metopen van de Zeus-tempel in Olympia ca. 470-460 en die van het Hephaisteion in Athene ca. 430. De 4e-eeuwse Lysippos zou de dodekath-los in de vorm van bronzen beeldengroepen heb-ben voorgesteld; alleen de hinde is uit een kopie uit de omgeving van Pompeii (nu in Palermo) bekend, andere kennen we van muurschilderingen en van sarcofaagreliëfs.

In de Romeinse tijd kennen we een serie reliëfs in het theater van Korinthe, sarcofagen uit Klein-Azië en een mozaïek uit de 4e eeuw n.C. in Lerida (Spanje) met deze daden. In het hellenisme komt Omphale met name in de schilderkunst voor. Een dronken Herakles, vaak met Eroten die met de knots spelen, en beelden van een pissende Herakles zijn met deze episode te verbinden. De muziek leidt tot een band met de Muzen, met wie de held soms is voorgesteld en naast wie hij als ‘Hercules Musarum’ te Rome werd vereerd. Het vinden van Telephos komt dan in schilderkunst en reliëf (o.a. altaar van Pergamon, midden 2e eeuw v.C., nu in het Pergamonmuseum te Berlijn) voor. Het wurgen van de slangen is eveneens bekend van schilderingen (bijv. huis van de Vettii te Pompeii). Bijzonder is een zilveren schaal uit het begin van onze jaar-telling met als versiering aan de binnenzijde dit verhaal in hoog reliëf, gevonden in Hildesheim en nu in de Antikenabteilung in Berlijn.

Niet alleen in verhalende context, maar ook afzonderlijk is Herakles de meest afgebeelde held uit de oudheid: een forse gestalte, met of zonder baard, kortharig, uitgerust met knots en leeuwenhuid. In de beeldhouwkunst is hij de canon van een reusachtige lichaamskracht. In talloze kopieën, bijv. de Hercules Farnese in Napels, kennen we een werk van Lysippos ca. 320: de held steunt op zijn knots en houdt in zijn rechterhand op de rug de appels van de Hesperiden. De zgn. Herakles Lansdowne gaat terug op een bronzen of marmeren werk van Skopas ca. 340 v.C. Uit de 1e eeuw v.C. stamt de Torso Belvedere in het Vaticaan te Rome (maar nu ook gezien als Aias). Flaxman ‘reconstrueerde’ in de vorm van een tekening 1792 hieruit een Herakles en Hebe. Reconstructies in de vorm van sculpturen bevinden zich in Kopen-hagen (Jerichau 1845, Ny Carlsberg Glyptotek) en Londen (naar Flaxman, Victoria and Albert Museum).

In de Romeinse tijd laten privépersonen en keizers zich gaarne als Herakles portretteren. Beroemd is het portret van Commodus ca. 190 n.C. in de Capitolijnse Musea te Rome: een buste met de Nemeïsche leeuwenkop als helm wordt door overwonnen Amazonen gedragen, terwijl de keizer in zijn handen de knots en de appels van de Hesperiden houdt. In Herculaneum werd de stichter van de stad tussen 62 en 79 geëerd met geschilderde cycli in liefst drie voor de keizercultus bestemde gebouwen en kwam hij ook in huiselijke sfeer veelvuldig voor.

Vanaf de 3e eeuw n.C. wordt Herakles in de christelijke cultuur gezien als de slaaf die door hard werken een plaats in de hemel weet te krijgen. Zo is te verklaren dat Herakles met nimbus is afgebeeld op schilderingen in catacomben te Rome. De allegorische traditie van de middel-eeuwen en de vroege renaissance heeft deze visie op Herakles uitgewerkt en de held als het ware gekerstend. Hij geldt als heidense tegenhanger en voorafschaduwing van Christus zelf als Heiland. Zijn positie als halfgod komt overeen met die van Christus als Mensenzoon; zijn afdaling in de onderwereld en de bedwinging van Kerberos met de afdaling van Christus in de hel en het verslaan van Satan; zijn lijden vanwege het brandende gif met het lijden van Christus op de Calvarieberg; zijn dood op de brandstapel met de dood aan het kruis; zijn apotheose ten slotte met Christus’ Hemelvaart. Ook is hij het tegenbeeld van Bijbelse helden en van heiligen: hij versloeg Geryoneus zoals Sint-Joris de draak en hij liet Antaios het onderspit delven zoals David Goliath.

Herakles fungeert in negatieve zin als heidens tegenbeeld van oudtestamentische figuren. Hij liet zich door Deianeira in het ongeluk storten zoals Adam door Eva en hij liet zich zijn kracht ontnemen door Omphale zoals Samson door Delila: waarschuwingen tegen de verleidings-kunsten en de te grote invloed van de vrouwen.

Indien hij niet wordt vergeleken met een concrete gestalte, staat Herakles model voor de perfecte ridder of de ‘vir perfectissimus’, bijvoorbeeld in Le Fèvre, Roman du fort Hercules 1464 en Salutati, De laboribus Herculis eind 14e eeuw. In de christelijke beeldvorming is hij de personi-ficatie van de heroïsche deugd en de kracht van het geloof, van de fortitudo, in een traditie die doorloopt in de renaissance en tot in de barok, bijv. in de dichtkunst van Ronsard.

In aansluiting daarop keert het thema van Herakles op de tweesprong (‘Hercules in bivio’) terug als parallel van het christelijke beeld van de smalle en de brede weg: de held moet de moeilijke keuze maken tussen de zondige genoegens van de Wellust (voluptas, een naakte vrouw), die naar de hel voert, en de strenge Deugd (Virtus, een kuise vrouw) die naar de hemel voert of, minder uit-gesproken christelijk, naar de ware roem. Het thema is in woord en beeld populair geworden door geïllustreerde uitgaven van werken als Brants Das Narrenschiff 1494 en de Latijnse vertaling en bewerking daarvan door Locher, Stultifera navis 1497. Tot in de 18e eeuw speelt het motief een rol in de beeldende kunst en de literatuur- en theatergeschiedenis. Zo werd het libretto Alcide al bivio van Metastasio in de 18e eeuw vele malen op muziek gezet, onder anderen door Hasse 1760. Een toneelstuk van Wieland 1773 werd in hetzelfde jaar verklankt door Schweitzer. Verder zijn er een cantate van J.S. Bach op een tekst van Picander 1733 en een ‘musical interlude’ van Händel/Lowth 1751.

Daarnaast ontwikkelt Herakles zich tot het toonbeeld van en model voor de goede vorst, en wordt anderzijds de vorst geprezen als een ware Herakles. Al in 1475 schrijft Bassi in deze geest voor hertog Ercole d’Este van Ferrara Le fatiche d’Ercole en zo figureert Herakles ook vaak in de Franse dichtkunst van de 16e eeuw (o.m. Du Bellay). De vorsten en andere machtigen hebben zich vanaf de renaissance tot in de 18e eeuw veelvuldig laten vergelijken met Herakles of hem in de decoratiesystemen van hun paleizen opgenomen als zinnebeeld van hun militaire macht en kracht.

Ook de frequentie van het thema van Herakles’ apotheose en zijn huwelijk met de goddelijke Hebe in het baroktheater kan een weerspiegeling zijn van een opvatting van de vorsten: aan buitengewone stervelingen zal na het overlijden de apotheose ten deel vallen. Het thema leverde opera’s op van o.a. Keiser/Postel 1699, Porpora 1744 en Gluck/Mingotti 1747. Een dergelijke apotheose is soms sluitstuk van de tragisch dan wel komisch gepresenteerde amoureuze verwikkelingen van Herakles met Deianeira en Iole. Veel toneelstukken en opera’s uit de 17e en 18e eeuw gaan terug op de stukken van Sophokles en Seneca en op Ovidius: toneelstukken van Rotrou 1634 en Calderón 1669 (Fieras afemina amor) en opera’s van Cavalli/Buti 1662 en Händel/Broughton 1745.

In literatuur en (muziek)theater van de 19e en 20e eeuw keert de Herakles-gestalte in de verschil-lende connotaties incidenteel terug: als Heiland in Brownings gedicht Balaustion’s Adventure 1871 en in het Herakles-drama van Cabot Lodge 1908; verstrikt in amoureuze verwikkelingen bij Saint-Saëns/Gallet 1911; als bastaard tussen goden en mensen bij Wedekind 1917; als hardhandige wereldverbeteraar bij Dürrenmatt 1954 en H. Müller 1966, met Stalin-achtige trekken zelfs bij Lange 1968. In Nederland kennen we een roman van Couperus 1913 en gedichten en proza van Van de Woestijne 1910, 1912, 1914 en 1924.

In de kunst van de middeleeuwen is de gekerstende Herakles soms met Samson als tegenhanger aan te treffen in de gotische beeldhouwkunst van kerken als de St.-Trophîme te Arles en de kathedralen te Moissac en Langres. Ook zijn daden zijn voorgesteld in de beeldhouwkunst van de middeleeuwen, bijvoorbeeld op ivoren reliëfs van de Troon van Petrus in de Sint-Pieter (datering omstreden, vóór 850) en daarna in de vroege renaissance, bijvoorbeeld in een reliëf in de San Marco te Venetië uit de 13e eeuw en in een reliëf van Antonio Federighi ca. 1462-63 in de dom te Siena. De gelijkstelling van Herakles met Bijbelse helden is nog te zien in een reeks schilderstukken van Van Heemskerck ca. 1545 (deels in het Rijksmuseum te Amsterdam): uitbeeldingen van daden van Herakles naast die van onder anderen Samson.

In de beeldende kunst vanaf de renaissance zijn er talloze voorstellingen van de werken – dikwijls proeven van bekwaamheid in het vastleggen van heftige bewegingen – en we volstaan dan ook met een kleine selectie. Nessos is te vinden bij Pollaiuolo ca. 1467, Spranger ca. 1580 en Giambologna 1594 (Loggia dei Lanzi Florence); Antaios bij Cranach ca. 1530, Baldung Grien 1531, Gossaert 1523, Guercino 1631 en in een schilderij ca. 1460 en een beeldhouwwerk ca. 1476 van Pollaiuolo; Cacus bij Goltzius 1613 (Frans Hals Museum Haarlem) en in beeldhouwwerken van Bandinelli o.a. 1534 (op de Piazza Signoria te Florence), Angelo de’ Rossi 1560 en Maderno ca. 1610; de Stymphalische vogels bij Dürer 1500 en Moreau 1865 en 1872; de Kentauren bij Ricci 1706-07 (Palazzo Marucelli te Florence). De Hydra is onderwerp voor Pollaiuolo ca. 1475, Peruzzi 1510 en Moreau 1876, terwijl de leeuw van Nemea uitgebeeld is door Da Vinci ca. 1500-10 en Poussin 1642, Acheloös door Jordaens 1649 en Steen 1659-60 en de paarden van Diomedes door Le Brun 1641-42 en Moreau 1866 en in een beeldengroep van De’ Rossi 1568. Canova maakt ca. 1795-1802 een beeld van het wegslingeren van Lichas.

Hoe Herakles als baby de twee slangen wurgt, wordt in de 17e en 18e eeuw in beeld gebracht door bijv. Van der Werff 1715 (Rijksmuseum Amsterdam), Reynolds 1753-54 en Taraval 1767.

Het moraliserende motief van ‘Herakles op de tweesprong’ domineert de emblematiek en grafiek vanaf de 15e eeuw en wordt nog tot rond 1900 (aldus door West ca. 1764 en Bourdelle 1910) geschilderd. In de Italiaanse schilderkunst geldt een werk van Annibale Carracci ca. 1595, een allegorie op de wijsheid van Odoardo Farnese, als voorbeeld voor o.a. Batoni ca. 1748. In onze streken zijn er schilderijen van Cranach na 1537, uit het atelier van Rubens (de twee vrouwen tussen wie Herakles moet kiezen hebben de trekken van Athena en Aphrodite), Maarten de Vos ca. 1570-75, Van Dyck ca. 1627-32, De Crayer ca. 1650 en Tidemann ca. 1703-04 (de keus tussen een op Athena gelijkende gestalte en uitgesproken sloeries) en De Lairesse ca. 1680-90 (vijf grisailles uit Slot Zeist, Rijksmuseum Amsterdam).

Wordt zijn verhouding met Deianeira betrekkelijk zelden uitgebeeld, bijv. door Gossaert 1517, Spranger ca. 1590, Ricci ca. 1706 en 1725 en Moreau 1872 (L’automne), een veelvuldig terug-kerend motief is Omphale, soms met accentuering van de rolwisseling, bijv. bij Cranach 1532 en 1537, Cornelis van Haarlem 1587, Spranger ca. 1590, Rubens 1606 (Ompahle trekt Herakles aan een oor!) en F. Le Moyne 1724. De morele strekking van het verhaal wordt geëxpliciteerd bijv. door het gebruik van een schilderij van Hallé 1759 met Herakles en Omphale voor een grafiekreeks met de titel ‘Les dangers de l’amour’. In veel gevallen staat echter het erotische gehalte van de uitbeelding voorop: het geldt voor het genoemde werk van Spranger en voorts voor werken van Boucher ca. 1728 en de prerafaëliet Genelli ca. 1860. Bij Rubens ca. 1612-74 is Herakles dronken voorgesteld.

Burne-Jones ca. 1870 en Marées 1884-85 heb-ben de voor het overige nauwelijks voorgestelde Hesperiden geschilderd. Een politieke prent van M. Liebermann na de slag bij Tannenberg in augustus 1914, Hercules-Hindenburg erschlägt den russischen Bären, moest de Duiters opwekken tot de oorlog; alleen hier maakte Liebermann van een antiek motief gebruik. F. Le Moyne schilderde rond 1730 de zelden afgebeelde bevrijding van Hesione uit haar ketenen. In de Villa Emo te Fasolo schilderde Zelotti 1565-70 een cyclus, waarin de ongelukkige gebeurtenissen die leidden tot Herakles’ einde centraal staan. Het is mogelijk een waarschuwing tegen de ontwrichtende werking van een al te hevige liefde.

In de Herakles-iconografie stijgen echter de talloze Herakles-cycli in de vorstelijke en adellijke residenties van de 16e tot in de 19e eeuw in omvang en frequentie boven alles uit. Het gaat in deze cycli veelal om zijn reeks daden, zinnebeeld van de militaire macht en bestuurlijke kracht van de opdrachtgever en zijn familie. Enkele voorbeel-den uit vele van de cycli met zijn daden of met een aantal daarvan: Mantegna ca. 1473 in het Palazzo Ducale te Mantua; Romano/Mantovano ca. 1530 in het Palazzo del Te, eveneens te Mantua; Vasari 1558 in het Palazzo Vecchio te Florence; Zurbarán 1631 voor het Buen Retiro-paleis te Madrid (nu in het Prado); Le Brun ca. 1650 in het Hôtel Lambert te Parijs; Michel (reliëfs) ca. 1780 in het paleis El Pardo bij Madrid; Mignon (reliëfs in een trapleuning) 1888 in het paleis Nassau (nu Koninklijke Bibliotheek) te Brussel.

Ook de apotheose van Herakles wordt talloze malen gebruikt ter uitdrukking van de bijzondere positie van de heerser en zijn geslacht: o.a. Pacheco 1630 in het hertogelijk paleis te Sevilla, Le Brun ca. 1655 in Vaux-le-Vicomte, F. Le Moyne 1733-36 in het paleis te Versailles en Bayeu y Subías ca. 1789 in het Koninklijk Paleis te Madrid. De apotheose van Herakles wordt ook dikwijls als centraal element van een plafondschildering omringd door een dadenreeks. Tot de meest omvangrijke decoraties met deze combinatie behoort de plafondschildering van Pozzo 1704-08 in het Palais Liechtenstein te Wenen.

Een standbeeld van Herakles als symbolisch voor de heerschappij was de blikvanger in menig vorstelijk park. Een tekenend voorbeeld is te vinden in Kassel. Daar liet Karl van Hessen op de Wilhelmshöhe de Herakles Farnese (in een kopie van de hand van Anthoni 1713-1717) oprichten ter bekroning van de grote cascade aldaar.

De verbinding met Herakles kan iconografisch nog explicieter worden uitgedrukt door leden van de familie te schilderen in het gezelschap van Herakles. Pietro da Cortona schildert tussen 1640 en 1647 in het Palazzo Pitti te Florence hoe een Medici-telg door Athena aan de armen van Aphrodite wordt ontrukt en overgedragen aan Herakles. Chiari 1698-1702 beeldt in de Galleria Colonna te Rome uit hoe Herakles de vorst naar de overwinning leidt in de slag van Lepanto in 1571. Een door Le Brun ontworpen schildering van de daden van Herakles in de Galerie des Glaces te Versailles is te elfder ure door Lodewijk xiv afgewezen om te worden vervangen door een door dezelfde schilder 1672-73 uitgevoerde decoratie waarin de Zonnekoning zelf optreedt, geassisteerd door Herakles.

Ten slotte is er het verhaal dat Herakles ooit Gallië zou hebben geciviliseerd. Deze ‘Hercules Gallicus’ ontwikkelt zich in de embleemboeken rond 1600 van Alciati en anderen tot zinnebeeld van de welsprekendheid die sterker is dan brute kracht. Het verklaart de aanwezigheid van Herakles in bibliotheken, bijvoorbeeld in die van het Escoriaal bij Madrid, in een door Tibaldi en Carducho in 1592 uitgevoerde decoratie in het aan de retorica gewijde deel daarvan, of zij figureren in G.B. Tiepolo’s allegorie van de welsprekendheid ca. 1725 in het Palazzo Sandi te Venetië.