Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Huid

betekenis & definitie

Huid - een in de vlakte uitgebreid, zeer samengesteld gebouwd orgaan, dat de lichaamsoppervlakte bedekt en waaruit enkele organen, haren, nagels en klieren ontstaan. De h. bestaat uit twee deelen, de opperhuid of epidermis en de lederhuid of corium. De beteekenis van de h. ligt daarin, dat zij is een beschuttingsorgaan, een orgaan waarin voedsel kan zijn opgehoopt, een orgaan dat voor de reguleering der lichaamswarmte dient, een uitscheidingsorgaan en ten slotte een zintuig. Als beschutting werkt de h. door hare dikte, door hare groote elasticiteit en haar weerstand.

Een reserveplaats voor voeding is zij daarom, omdat in het bindweefsel onmiddellijk onder haar, het onderhuidsche bindweefsel, een groote massa vet opgehoopt kan zijn; een warmteregulator is zij door haar bloedvaatrijkdom en haar verbinding met het zenuwstelsel. Bij koude trekt zij zich samen, bij warmte zet zij zich uit, verandert in bloedgehalte en doordrenking met sereuze vloeistof en brengt daardoor verschil in verdamping teweeg. Uitscheidingsorgaan is de h. door haar grooten rijkdom aan klieren; zintuig ten slotte is de h. door haar zenuwverzorging. — Bouw van de h. Men onderscheidt aan de h. een opperhuid of epidermis en een lederhuid of corium. De epidermis bestaat uit een groot aantal lagen van epitheelcellen, waarvan de onderste cylindrisch zijn, de naar boven gelegen meer afgeplat. In de hoogere lagen der epidermiscellen treedt hoornstof op, zoodat de bovenste cellagen slechts dunne verhoornde plaatjes zijn, die voortdurend afschilferen en door vermeerdering der diepste cellaag ook constant worden vernieuwd. De onderste laag van cellen heet daarom de kiemlaag. Tusschen de cellen blijven kleine spleten, waarin een vochtstroom voor de voeding is, want bloedvaten komen in de epidermis niet voor. Tusschen de epitheelcellen kunnen pigmentcellen worden aangetroffen.

De eigenlijke kleur van de h. wordt te voorschijn geroepen door pigment, dat zich in de epitheelcellen ophoopt. Het corium bestaat uit bindweefseldraden, die op de verschillende plaatsen van het lichaam bepaalde rangschikking vertoonen. Een gevolg hiervan is, dat, als een wond in de richting der bindweefseldraden komt, deze niet spouwt, terwijl de randen van een wond loodrecht op de z.g. splijtrichting sterk uiteenwijken. Naar de zijde van de epidermis heeft het corium een aantal papillen, zoodat de grens een gegolfde is (zie afbeelding). In deze papillen liggen vaatlissen (vaatpapillen) of zenuwlichaampjes (zenuwpapillen). Op de handpalm en de vingers, evenzoo op de voetzool en de teenen zijn deze papillen in rijen gerangschikt, waardoor z.g. lijsten ontstaan, die ook uitwendig als huidlijsten te zien zijn. Deze huidlijsten hebben de eigenaardigheid van volmaakt individueel te zijn, d. w. z. er zijn niet twee menschen, bij wie de vorm en rangschikking der huidlijsten gelijk zijn. Bij elk mensch blijven zij daarbij gedurende het geheele leven onveranderd.

Deze twee eigenschappen maken de huidlijsten tot een onschatbaar herkenningsteeken en zij vormen een der voornaamste deelen bij het crimineele onderzoek (zie CRIMINEELE ANTHROPOLOGIE, BERTILONNAGE). —Op bepaalde plaatsen van handpalm en vingers en voetzool en teenen vertoont de h. verder heuvelvormige verhevenheden, de z.g. tastballen. De mensch bezit vijf terminale tastballen op de eindkootjes der vingers (resp. teenen), drie tastballen op de middenhand, tusschen de vier vingers (resp. middenvoet tusschen de teenen) en twee tastballen op den duim en de pikmuis. Hunne beteekenis als plaatsen, waar het tastgevoel bijzonder ontwikkeld is, hebben zij in hoofdzaak aan de toppen der vingers, waar de nagels een goeden tegendruk geven. Uit de epidermis ontstaan twee organen, de haren en de nagels. — De dikte van de h. met het onderhuidsche bindweefsel, waarin het corium geleidelijk overgaat, is verschillend. Ook de vetmassa, die zich in dit weefsel kan ophoopen, is verschillend. Zoo vindt men b.v. onder de h. der oogleden of op den neus zoo goed als geen vetweefsel, op andere plaatsen, zooals onder de buikhuid, kan het in zeer belangrijke hoeveelheid aanwezig zijn. De ophooping van onderhuidsch vetweefsel is daarbij, zooals wel bekend is, individueel uiterst verschillend. — De h., d. w. z. het corium, is bijzonder rijk aan bloedvaten. Deze vormen uitgebreide netwerken, van welke de fijnste vaatjes tot in de bovengenoemde coriumpapillen verloopen.

Naarmate de h. dunner is, schemeren die vaten meer door en heeft de h. een meer rosé kleur. Het dikst is de h. op handpalm en voetzool (eelt), dan op de schouders, vervolgens op den rug, dan op de ledematen; in het gezicht is zij het dunst. — Uit de h. ontstaan een enorm groot aantal klieren. Deze zijn van tweeërlei aard, zweetklieren en smeerklieren of talgklieren. De eerste bedekken de geheele lichaamsoppervlakte, hun dichtheid is verschillend. Op de handpalm komen er 373 tot 1111 op een c.M.2 voor, op de wangen maar 79, op den rug 57. Men kan hunne openingen, vooral met een vergrootglas, op de huidlijsten op de vingers gemakkelijk zien. De zweetkliertjes zijn enkelvoudige buisjes, die aan hun einde kluwenvormig zijn opgewonden. De zweetklieren scheiden voortdurend een waterachtig vocht, het zweet af, dat, als het aan de oppervlakte komt, verdampt en dus voor de warmteregulatie van groot belang is.

Men noemt dit de perspiratia insensibilis. (Zie ZWEETEN). De talgklieren heeten ook haarbalgklieren. Men vindt ze bij de haren. Toch komen zij ook hier en daar voor, waar geen haren zijn, met name op het rood van de lippen en binnen in de wangen. De talgklieren scheiden een vetachtige massa af, die voor h. en haren van groot belang is. Bijzondere modificaties van de zweetklieren zijn kleine kliertjes in de oogleden, de Moll’sche kliertjes, verder de klieren in de uitwendige gehoorgang, die het oorsmeer leveren, en de klieren in de omgeving van de anaalopening, die een bepaalde reukstof afscheiden. Als krachtig ontwikkelde groep van zweetklieren kan men de borstklier der vrouw beschouwen. Dit is dus een huidkliermassa, wat daaruit blijkt, dat zij gemakkelijk verschuifbaar is op de onderlaag.

De borstklier bestaat' uit een aantal klierkwabjes, die radiair gerangschikt zijn. Elk der klieren bestaat uit een aantal kliergangen met een gemeenschappelijke uitvoergang. Tijdens het gewone leven verkeert de borstklier in rust, eerst tijdens de zwangerschap neemt zij sterk in omvang en ontwikkeling toe en gaat de klier het tijdperk van functie tegemoet. Met het ophouden van het zoogen komt er weer een reductie tot stand. De uitvoerbuizen van de borstklieren komen op den borsttepel samen. Om deze uitvoeropeningen vindt men een aantal talgklieren, de klieren van Montgomery. Bij den man komt de borstklier na de geboorte niet tot verdere ontwikkeling (zie HEKSENMELK). — In de h. eindigen een zeer groot aantal zenuwen. De eindigingen zijn gedeeltelijk vrije zenuweinden tusschen de de cellen van de epidermis, gedeeltelijk zijn het zenuwlichaampjes, in hoofdzaak de Vater-Pacini’sche lichaampjes in de papillen van het corium.

Zij dienen voor de voortgeleiding van de gevoels-, koude-, warmte- en pijnprikkels, die de h. kunnen treffen. Een verband tusschen aard van den prikkel en bepaalde zenuweindiging kent men niet. — Bepaalde plaatsen van de h. onderscheiden zich door hun kleur van de overige h. Zoo de tepelhof, de geslachtsorganen. Waarschijnlijk heeft deze tinctie een beschuttende beteekenis. De kleur van de h. is een van de belangrijkste anthropologische kenmerken; men onderscheidt de menschheid naar die kleur in blanke, gele, roode en zwarte rassen. Ontbreken van het pigment komt bij alle rassen als bijzonderheid voor, het is als albinisme bekend en gaat gepaard met een ontbreken van de kleur in haren en oogen. In het algemeen gaat een donkere huidkleur met donkere haren en oogen gepaard.