Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 12-01-2019

Monotheïsme

betekenis & definitie

Monotheïsme - (Gr. monos.: alleen, theos: God), de leer, dat er slechts éen God bestaat of ook maar bestaanbaar is, zoodat de éene God tegelijk de eenige is. Immers, naast een zoodanigen God, die alleen God is, zoodat alles en allen van Hem alleen volkomen afhankelijk zijn, is geen ander goddelijk wezen bestaanbaar als voorwerp van gedachte of aanbidding. M. is dus zaak niet alleen van quantitatieven, maar ook van qualitatieven aard. Het moet onderscheiden worden van Monolatrie, en sluit alle Dualisme of Pluralisme uit.

Het behoort bij den Israëlietischen, Chistelijken en Mohammedaanschen godsdienst. — Bij de vraag naar het m. moet onderscheid worden gemaakt tusschen het filosofisch begrip en de religieuze voorstelling. In filosoficis is de grens tusschen m. en monisme nauwelijks aan te geven ; het religieuze m. heeft als uitgangspunt niet het wijsgeerig denken, maar de monolatrie, die bij tal van volken, Semieten en Indogermanen, voorkomt. Of die monolatrie tot m. worden zal, hangt (we hebben maar één geval waaraan het te controleeren is) blijkbaar af van de vraag of het religieus bewustzijn diep en krachtig genoeg is om de zuiver geestelijkzedelijke godsidee te kunnen dragen, d. i. om de godsidee los te maken van het natuurleven. Wil men dus een werkelijke grenslijn aangeven tusschen m. en polytheïsme, dan kan dat niet op grond van het getal (kwantiteit), maar alleen op grond van de godsidee zelf (kwaliteit); is de god een natuurwezen of een geestelijk-zedelijke grootheid? Alleen in het laatste geval komt het tot werkelijk m. (Israël).