Wat is de betekenis van God?

2019
2020-11-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

God

God - Eigennaam 1. (religie) in het monotheïsme een bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en onsterfelijk is

Lees verder
2018
2020-11-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

God

God - zelfstandig naamwoord 1. het bovenaardse wezen dat volgens de christenen de wereld geschapen heeft ♢ hij gelooft in God 1. de goden verzoeken [iets doen wat waarschijnlijk problemen oplevert] ...

Lees verder
2017
2020-11-26
Henk van Oort

Lexicon antroposofie

God

Aanduiding voor het christelijke begrip Triniteit: Vader – Zoon – Heilige Geest. Het woord wordt ook gebruikt om de inspirerende geestelijke machten van bepaalde culturen aan te duiden: Zeus (Griekenland), Ahuro Mazdao (Perzië), Brahma (India), Amon-Re (Egypte), enzovoort. Er is doorgaans een relatie met de planeten of de dierenriem.

2010
2020-11-26
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

god

god: schrijft ten onrechte de schepping van de wielersport op zijn conto, want de zevende dag rustte hij terwijl het dan juist koers is! Wie zeker niet God genoemd kan worden, is Frank Vandenbroucke, want zijn biografie heet Ik ben God niet (2008). Wie er dan wel een god in de wielersport kan worden genoemd, kan men lezen in het uitstekende boek He...

Lees verder
2004
2020-11-26
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

God

In uitdrukkingen zoals ‘God heeft x tot zich geroepen’ en ‘God heeft x gehaald’: x is gestorven. In de plaats van God gebruikt men soms ook ‘de Heer’ of andere benamingen van het Opperwezen. Als de lieve God me haalde, ’k Heb het menigmaal gezeid, ’k Zou niet rouwig wezen. Nicolaas Beets: De Overgrootvader. 18/6 De Heer van dood en leven...

Lees verder
2004
2020-11-26
lesmethode Memo

Geschiedenisles voor bovenbouw

God

Onzichtbaar wezen waar mensen met een godsdienst in geloven. Meestal is een god heel machtig en kan hij mensen helpen.

2000
2020-11-26
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

God

God, aanduiding, naam en aanspreektitel van de God van Israël en van het christendom. De naam van de God van Israël luidde Jahweh, een naam die niet werd uitgesproken (zie Jehova). In de Nederlandse bijbelvertalingen luidt de weergave daarvan Heer (zie dat artikel). Veelvuldig spreekt men daarnaast over God, onze God, de God van Israël en vergelijk...

Lees verder
1997
2020-11-26
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

God

In christelijke landen als Nederland of België lijkt men wel eens te vergeten dat er ook een ander godsbesef mogelijk is. Gelukkig zijn er woordenboeken die de moedertaalsprekers van het Nederlands weer naar de werkelijkheid terugvoeren. God wordt daarin dan gedefinieerd als godheid. Schrijvers van woordenboeken voegen daaraan wel de me...

Lees verder
1982
2020-11-26
De Tale Kanaans

J. van Delden

God

Het algemeen Semitische woord voor God is El, dat we onder meer aan treffen in een van de kruiswoorden: Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachthani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth. 27 : 46). De naam van de God van Israël luidde Jahweh, waarvan in het tweede bijbel...

Lees verder
1976
2020-11-26
Yoga lexicon

Verklarend handwoordenboek

GOD

een woord dat de aanduiding is van een bovenwereldlijke macht, een macht die een relatie onderhoudt met wereld en mens. De strijdvraag over een persoonlijk god is nog altijd in volle gang. Het vijfde gebod van Niyama [tweede trap van het Achtvoudige Yogapad] is lsvara Pranidhana, dwz toewijding aan de persoonlijke godheid. Dit wordt door de yogi�...

Lees verder
1973
2020-11-26
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

god

[➝Gotisch guth, aangeroepen wezen, ➝Oudindisch hutas, aangeroepen], m. (-en), 1. (in het algemeen) godheid, bovenmenselijk, machtig en aanbiddelijk wezen (e): de goden van de oude Egyptenaren, van Grieken en Romeinen: de van de slaap; bij de goden zweren; de goden aanroepen; o (grote, goede) goden!, schertsende uitroep van verwondering, (ook) als b...

Lees verder
1955
2020-11-26
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

GOD

de Allerhoogste, ondanks zijn onmetelijke verhevenheid en diepgaande ontoegankelijkheid op analoge wijze kenbaar in zijn schepping (zie Godsbewijzen en Godskennis, natuurlijke), bezit niet de abstracte en daardoor onpersoonlijke trekken van „het hoogste Zijn” der wijsgeren, doch treedt blijkens zijn openbaring in zeer persoonlijk contac...

Lees verder
1949
2020-11-26
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

God

het hoogste wezen, waarop het geloof en de verering der monotheïstische godsdiensten (Jodendom, Christendom en Islam) zich richten, Schepper, Heer en Rechter van al het zijnde. Voor het christelijk geloof berust de kennis van God op de openbaring in Jezus Christus, door wie God zich heeft doen kennen als heilige Liefde, die de mens mag aanspre...

Lees verder
1933
2020-11-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

God

God - het hoogste, uit zich zelf bestaande wezen, Schepper en Heer van hemel en aarde. A) De mensch heeft kennis van God niet alleen door de goddelijke openbaring, waarop de geloofskennis berust, maar ook door het natuurlijk inzicht van het menschelijk verstand. Rom. 1.20: Want zijn onzichtbaar wezen, zijn eeuwige macht en zijn godheid is van de sc...

Lees verder
1926
2020-11-26
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

God

De eerste vraag die ten aanzien van God beantwoord moet worden is deze: zullen we iets van Hem kunnen zeggen? Is Hij niet de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is (Jes. 57 : 15a), te hoog en te verheven dan dat wij met onze gedachten of woorden tot Hem zouden kunnen raken? Is Hij niet de volkomen-onbegrijpelijke, ov...

Lees verder
1916
2020-11-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

God

God - is voor het Christelijk besef niet slechts „het hoogste Wezen”, d.w.z. vergelijkender wijze hooger dan andere wezens, maar het Wezenzelf, d.w.z. God is het Wezen, dat eigenlijk alleen waarlijk is, onafhankelijk van alles wat door en buiten Hem moge bestaan. Intusschen is God niet een wijsgeerig begrip, doordat men al wat is herleidt tot eene...

Lees verder
1898
2020-11-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

God

GOD, m. (-en), godheid, bovenmenschelijk, machtig en aanbiddelijk wezen (bij heidensche volkeren) de goden der oude Egyptenaren: (bij de Grieken en Romeinen) God Jupijn; Mars, de god des oorlogs; de god van den slaap; een halve god, een heros, held, uit een god en eene vrouw geboren, (ook) godheid van lageren rang; bij de goden zweren; de goden aan...

Lees verder
1870
2020-11-26
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

God

God. In ’s menschen geest bestaat de behoefte, gewekt door het besef van zijne afhankelijkheid van de krachten der natuur of ook bij hoogere ontwikkeling door het gezag der geschiedenis, om tot de meest verwijderde oorzaak dier afhankelijkheid op te klimmen. De weinig ontwikkelde zoon der natuur vermoedt, dat de verschijnselen der schepping, die he...

Lees verder