Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 19-01-2019

Erfdienstbaarheid

betekenis & definitie

Erfdienstbaarheid of Servituut, een last, waarmede een erf (zgn. dienstbaar of lijdend erf)

bezwaard is, tot gebruik en ten nutte van een aan een anderen eigenaar toebehoorend erf (zgn. heerschend erf). Zij komt ten bate en laste van iederen gebruiker dier erven (verg. artt. 821, 872 B.W.) en mag niet ten laste of ten behoeve van een bepaald persoon worden gevestigd (art.721 B.W.).

— Het recht van erfd. is zakelijk(art. 584 B.W.) en onroerend (564 B.W.). — Het bestaat steeds in eene verplichting om iets te dulden of iets niet te doen (722 B.W.). Wel kan de eigenaar van het dienstbare erf verplicht zijn om op zijne kosten de tot gebruik en behoud der erfd. noodzakelijke werken te maken, maar hij kan zich te allen tijde van dien last bevrijden, door aan den eigenaar van het heerschend erf, zoodanig gedeelte van het dienstbaar erf af te staan, als tot het genot der erfd. noodzakelijk is (736 B.W.). — Erfd. geeft geen voorrang van het heerschende boven het dienstbare erf (723 B.W.). — De erfd. worden onderscheiden in: 1) voortdurende en niet voortdurende; 2) zichtbare en onzichtbare. Zij zijn voortdurend, als haar gebruik voortduurt of kan voortduren, zonder dat daartoe des menschen toedoen noodig is (b.v. recht van waterloop of uitzicht, gootrecht, enz.); niet voortdurend, indien telkens tot hare uitoefening ’s menschen toedoen noodig is, zooals bij het recht van overgang, van water te halen, beesten te weiden, enz. Zij zijn zichtbaar, indien van haar door uitwendige werken als een deur, een venster, een waterleiding en soortgelijke blijkt; onzichtbaar, indien zij geen uitwendig teeken van haar bestaan hebben, als het verbod om op een erf te bouwen of hooger te bouwen dan tot een bepaalde hoogte (Lat. Servitus altius non tollendi), het recht om beesten te weiden en andere, waartoe ’s menschen toedoen noodig is (724, 725 B.W.). — Erfd. wordt gevestigd òf door een titel òf door verjaring (742 B.W.). In het eerste geval moet deze titel in de daartoe bestemde openbare registers worden overgeschreven (743 B.W.). Verkrijging door verjaring is slechts mogelijk bij voortdurende en tevens zichtbare erfd. (744 B.W.). De voortdurende en tegelijkertijd onzichtbare en ook de niet-voortdurende, hetzij ze zichtbaar of onzichtbaar zijn, kunnen slechts bij een titel worden gevestigd. Het genot, zelfs sedert onheugelijke jaren, is niet voldoende om ze te verkrijgen (746 B.W.). De niet-voortdurende en onzichtbare erfd. kunnen ook niet voorwerp van bezit zijn (593 B.W.). De bezitsacties staan den rechthebbende niet ten dienste (608 B.W.), maar de rechter kan wel, in geval van geschil over de geldigheid van den titel, bevelen, dat de partij, die bij het ontstaan van het geschil het genot er van heeft, dat genot gedurende het geding behoude (609 B.W.).

— Erfd. gaan teniet, wanneer de zaken zich in zoodanigen toestand bevinden, dat men van de erfd. geen gebruik meer kan maken (750 B.W.). Indien het dienstbare of het heerschende erf niet geheel en al tenietgegaan of vernield is, blijft de erfd. voortduren, naarmate de gesteldheid der erven zulks toelaat (751 B.W.). Is echter de erfd. op deze wijze tenietgegaan, zoo herleeft zij, indien de zaken in zoodanigen staat hersteld zijn, dat men van de erfd. gebruik kan maken, ten ware er verjaring hebbe plaats gehad (752 B.W.). Erfd. toch gaan door verjaring teniet, wanneer daarvan in 30 achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt. Deze 30 jaren beginnen niet te loopen dan van den dag, waarop men een blijkbare en met de erfd. strijdige daad heeft verricht (754 B.W.). Ingeval het heerschende erf in zoodanig eenen toestand is gesteld geweest, dat daardoor de uitoefening der erfd. onmogelijk is geworden, heeft verjaring plaats door het enkele verloop van 30 jaren, te rekenen van het oogenblik dat het erf in dier voege heeft kunnen hersteld zijn, dat de uitoefening der erfd. daardoor weder zoude zijn mogelijk geworden (755 B.W.). — De wijze, waarop men van eene erfd. kan gebruik maken, verjaart evenals de erfd. zelve en op gelijke manier (756 B.W.). — Alle erfdienstbaarheden gaan teniet, wanneer het heerschende en het dienstbare erf in dezelfde hand vereenigd zijn, behoudens event. herleving overeenk. art. 748 (zie boven). — De eigenaar van het heerschend erf mag noch daarop noch op het dienstbare eenige verandering maken, waardoor de toestand van het laatste zoude verzwaard worden (738 B.W.). De eigenaar van het dienstbare erf mag van zijn kant niets verrichten hetgeen strekken mocht om het gebruik der erfd. te verminderen of haar ongemakkelijker te maken (739 B.W.). — Wanneer men een muur of een gebouw opnieuw optrekt, blijven de heerschende en lijdende erfd. ten opzichte van den nieuwen muur of van het nieuwe gebouw voortduren, zonder dat ze evenwel kunnen verzwaard worden, en mits de wederopbouwing geschiede voordat verjaring heeft plaats gehad (726 B.W.). — Hij, die het recht van erfd. van uitzicht of van licht (waaronder alleen het noodige licht, zonder uitzicht wordt verstaan) heeft, mag zoovele vensters of lichten maken als hij goedvindt; maar hij mag, na te hebben gebouwd of van zijn recht gebruikmaakt, in het vervolg het aantal niet vermeerderen (727 B.W.). — Is bij erfd. het verbod gevestigd, op een erf boven een bepaalde hoogte te bouwen, zoo heeft de eigenaar van het heerschende erf het recht om alle timmering of verhooging, bij den titel verboden, te beletten of te doen wegnemen (728 B.W.). — Onder de erfd. van waterloop en drop verstaat men slechts het recht om schoon water, niet ook om vuilnis te doen uitloopen (729 B.W.). — Gootrecht is het recht om water en vuilnis te kunnen doen uitloopen (730 B.W.) — Het servituut van inbalking of inankering in eens anders muur geeft het recht om nieuwe balken en ankers in de plaats der vergane te leggen, maar niet om het aantal te vermeerderen of de plaatsing te veranderen (531 B.W.). — Hij die het recht heeft om op het water van een naburig erf te varen, moet bijdragen tot de onkosten noodzakelijk om het water steeds vaarbaar te houden, ten ware hij mocht verkiezen van zijn recht af te zien (732 B.W.). — Het serv. van voetpad is het recht om te voet over eens anders land te gaan, dat van rijpad of dreef om daarover te paard te rijden of beesten te drijven, dat van weg om er met een wagen, een rijtuig enz. over te rijden. Indien de breedte van het voetpad, de dreef of den weg niet bij den titel is bepaald, wordt zij geregeld overeenkomstig de bijz. verordeningen of plaatsel. gebruiken. Onder de erfd. van rijpad of dreef is die van voetpad, onder die van weg, die van rijpad, dreef en voetpad stilzwijgend begrepen (733 B.W.). — De erfd. van waterleiding is het recht, water uit of over eenig naburig erf naar het zijne heen te leiden (734 B.W.). — Wordt na verkoop van eenig goed dit bevonden bezwaard te zijn met erfd., zonder dat die aan den kooper zijn bekend gemaakt, of dat deze daarvan kennis kon dragen, en zijn die erfd. van zoo groot belang, dat men reden heeft om te vermoeden, dat de kooper den koop niet zoude hebben gesloten, indien hij daarvan ware onderricht geweest, dan kan hij de vernietiging van den koop vorderen, ten ware hij liever verkoos zich met een schadeloosstelling te vergenoegen (1538 B.W.). — Wordt een huurder gedagvaard om de uitoefening eener erfd. te gedoogen, dan moet hij den verhuurder daarvan beteekening doen en kan hij dien tot vrijwaring oproepen. Hij kan zelfs vorderen buiten het geding te worden gesteld, mits hij opgeve van wien hij gehuurd heeft (1594 B.W.).

< >