Bezinkingsgesteente betekenis & definitie

Bezinkingsgesteenten of sedimenten heeten alle gesteenten, die ontstaan zijn door de bezinking van hun bestanddeelen uit een middenstof. Steeds zijn deze bestanddeelen afkomstig van oudere gesteenten, welke door verweering* uiteen zijn gevallen; zij zijn daarna opgenomen door den wind, door het stroomende water van beken en rivieren of door het ijs der gletsjers, ter plaatse, waar wij ze nu aantreffen neergelegd en tot een nieuw gesteente geworden.

De afzettingen uit water zijn het meest verbreid. Zij nemen groote gedeelten van de oppervlakte der aarde in en ontbreken nergens. De oplosbare stoffen uit het verweeringspuin worden door het water in opgelosten vorm meegevoerd naar zee. Onder omstandigheden kunnen deze stoffen uit de oplossing weder neergeslagen worden; zoo ontstaan lagen van gips*, anhydriet*, steenzout*, kalizouten*, kalksteen*, dolomiet*, kiezelgesteenten*. De onoplosbare bestanddeelen van het puin worden door het water in rollenden en zwevenden toestand meegevoerd en, naar gelang het transporteerend vermogen van den waterstroom door afname van de stroomsnelheid vermindert, achtereenvolgens af gezet; de grove bestanddeelen in den vorm van grind*, de fijnere bestanddeelen als zand*, leem* of klei*.

Door daaropvolgende verharding wordt het grind tot conglomeraat*, het zand tot zandsteen*, grauwacke, arkose*, leem en klei tot kleischalie* en kleilei*. Mergels* heeten de tusschenvormen tusschen kalksteen en kleilei. Al deze uit water gevormde gesteenten zijn gekenmerkt door laagsgewijze afzetting in horizontale platen of banken. Deze ontbreekt aan de afzettingen van het ijs en uit de atmosfeer: keileem* en löss*.