Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 06-12-2018

Beieren

betekenis & definitie

Beieren - Het koninkrijk B. is 75.870 K.M.a groot, dus 2.2 x Nederland en naar grootte en bevolking de tweede staat van het Duitsche Rijk. De kleuren zijn wit en blauw. Het wordt sinds 5 Nov. 1913 geregeerd door Lodewijk III uit het Kathol, huis Wittelsbach (kasteel ten N.O. v. Augsburg).

I. LANDSCHAPPEN (bodemgesteldheid, kli maat, plaatsbeschrijving, enz).
B. bestaat niet uit één aardrijksk. geheel, maar uit zeer van elkaar verschillende landschappen, die voornamel. door geschiedk. oorzaken zijn samen gevoegd.
A. Alpen. 1. Bodemgesteldheid. Uit het voorgelegen diluviale land, met zijn meren en moerassen, 400—800 M. hoog, rijzen de Noordel. Kalk-Alpen, eerst als een gebergte met zachte ronde vormen, gevolg van den gemakkelijk ver weerenden zandsteen en daarna meer in ’t Z. als een echt kalkgebergte. Sterk gevouwen lagen worden door groote breuklijnen met aanzienl. verzakkingen, doorsneden, waardoor de bouw van het gebergte, uit een geolog. standpunt bezien, bijzonder samen gesteld is. Bij gevolg wisselen de gesteenten aan de oppervlakte elkaar telkens af; nu eens hard, dan weer zacht; gemakkelijk verweerbaar of moeilijk; rotsen, waar ’t water snel intrekt en andere, waar ’t bovenaards afloopt, wat weer een bonte mengeling van vormen te weeg brengt, die een der vele schoon heden van dit gebergte uitmaakt. Uit de geologische vorming mede volgt de woestheid der bergtoppen, de menigte van passen en overgangen; daaruit weer de gemakkelijke toegankelijkheid en bewoning, het druk bezoek der toeristen. Beroemd zijn de kloven (Partnachklamm bij Partenkirchen, ten N. van het Wetterstein geb.), die door de woest schuimende berg beken langzaam in de oplosbare kalk diep zijn uitge slepen. Berucht zijn de schratten of karren, hellingen, waar scherpkantige regengoten evenwijdig aan elkaar van boven naar beneden loopen en die onbegaan baar zijn. Sterk moet ook de plantengroei afwisselen. Gaat de kalk door toenemend magnesiumgehalte in hard dolomiet over, dan rijzen naakte rotswanden steil omhoog, in scherpe tegenstelling met de lager gelegen groene bergweiden, de boschrijke hellingen van zachter gesteenten, de vruchtbare dalen aan den voet.

Geen gebergte is misschien in deze Alpen beter bekend bij de toeristen dan op de grens ten W. van de Isar het Wetterstein geb. met de Zugspitze (hoog ste top van Duitschland, 2960 M., met een meteoro logisch observatorium), waar de trotsche schoonheid van het dolomiet zich in het groene Eibmeer weer kaatst. In ’t Oosten bij de Salzach de Berchtesgader Alpen met ’t mooiste Duitsche Alpenmeer: de Kö nigsee, waarin de Watzmann (2710 M.) spiegelt; in ’t W. bij ’t Boden Meer de Algauer A. — 2. Het klimaat verschilt niet veel van de overige Al pen, dus strenge, langdurige winters met veel sneeuw. In de dalen aan den voet gemiddelde Januaritemperaturen van 4° of 5° (Nederland 2°), dus zijn ze met ’t N. O. van Duitschland het koudste deel van ’t geheele rijk; gemidd. jaartemperatuur: ± 7° (Nederl. 10°). Door de sneeuw is de lente laat en kort. Een zonnige nazomer. De dalen zijn wel zeer verschillend: Reichenhall, Boden M., Inndal zijn ware broeikassen; andere: tochthoeken. — 3. Voornaamste plaatsen.

Groote plaatsen zoekt men tevergeefs in de Alpen. Mittenwald* (violen) en ’t om de passiespelen beroemde Ober ammergau*. Wat Westelijker liggen de Beiersche koningssloten, Linderhof* en nog Westelijker Neuschwanstein* en Hohenschwangau* dicht bij de plaats, waar de Lech Beieren binnenkomt; zij zijn gebouwd door den romantischen koning Lodewijk II. Toeristenplaatsen zijn voor het Wetterstein geb.: Partenkirchen en Garmisch (2400 en 2600 inw.), voor ’t uiterste Z.O. der Alpen: Reichenhall en Berchtes gaden (5000 en 2700); ’t eerste heeft zoutproductie en is een bloeiend herstellingsoord. In den ouden tijd hadden de B. Alpen drukker verkeer dan nu; toen gingen de kooplieden over den Brennerpas en Inns bruck langs Füssen (3900), naar Augsburg of langs Partenk. naar München. De Brennerlijn vervolgt tegenwoordig het Inndal tot de vlakte.

B. De Zwabisch-Beiersche hoog vlakte ligt voor ’t grootste gedeelte in Beieren.
1. Bodemgesteldheid. Ze is geheel bedekt met Alpenpuin, dus over ’t algemeen met los ma teriaal. Het overvloedigst is dit dicht bij de Alpen neergelegd, zoodat daar de vlakte ’t hoogst is en naar het N.O. afloopt. De Donau stroomt langs het laagste gedeelte,dus langs den N.rand. Waar hij bij ’t verlaten van Beieren de Inn opneemt, ligt Passau 290 M. hoog. München ligt op 510 M,; in ’t Z. komen enkele bergen tot 1.000 M. voor. De grootste helling en dus ook de meeste kracht hebben de rivieren vlak bij de Alpen, daar legden ze het grofste materiaal neer. Snel zakt het regenwater in zulk een bodem weg, waardoor hij onvruchtbaar is, terwijl meer Noor delijk dat water weer voor den dag treedt in zoo’n overvloed, dat er bij de geringe helling moerassen en hoogvenen ontstaan, die een tweede stuk onbelang rijk maken.

Zoo het Dachauer Moos en Erdinger Moos ten N. van München. Tot vlak bij den Donau vinden we ze zelfs: Donau Ried (voor grasland in ge bruik) en Donau Moos. (In Zwaben d. i. ten W. van den Lech spreekt men van Ried, ten O. in Beieren van Moos). Behalve voor turfgraverij dienen deze moerassen, waar men ze reeds door afwatering heeft drooggelegd, voor grasland en eenigen land bouw. Het fijnste materiaal, dat ’t water niet zoo gemakkelijk doorlaat, dus de beste grond, ligt ’t verst en dus ’t laagst, bijgevolg in ’t N.O. bij Passau en Straubing aan den Donau en bij Landshut, de vroegere hoofdstad. Dit land is een korenschuur van B. en levert ook veel hop. De ijstijd heeft vooral op ’t Zuiden langs ’t gebergte zijn stempel gedrukt.

In den zachten ondergrond slepen de ijsstroomen der Alpen breede beddingen uit, met vaak wisselende diepte en richting, waardoor meren ontstonden toen !t ijs smolt. Het Boden Meer is wel een der grootste. Ook voerden ze veel puin van de Alpen mee en leg den dat als eindmoreene aan hun rand, zoodat nu, na ’t smelten van ’t ijs, de hooge steenwallen van zijn zijden, als armen van de Alpen in ’t lage land voor uitsteken en niet zelden een terrein vormen met slechte afwatering, moerassen of gchoone meren. Noordelijker hebben vooral de rivieren ’t landschap gemodelleerd, met haar breede, soms 200 M. diepe dalen, die ’t verkeer W.—O. zooveel hinderpalen in den weg hebben gelegd. Tusschen de rivieren is 't land soms vlak als een tafel,bijv. het beroemde Lech feld ten Z. van Augsburg, een prachtig slagveld, nu gedeeltelijk bouwland. Op dergelijke rivieren (Hier, Lech, Isar, Inn) kan men niet varen dan met vlotten. Op de Inn heeft men roeischepen. Maar het spoorverkeer heeft de rivieren zelfs die geringe beteekenis nagenoeg geheel ontnomen. Bij Ulm, waar de Donau in B. komt, begon vroeger de Donauscheepvaart met de zoogenaamde Ulmer doozen; bij Regensburg wordt de rivier voor stoomschepen bevaarbaar.

2. Klimaat. Wel ligt de hoogvlakte in ’t uiterste Zuiden van Duitsch land, maar warm is het er niet, alles behalveI Mün chen ligt trouwens 529 M. hoogl Een echt onaange naam hoogvlakteklimaat! Door de ijlheid der lucht wordt het er, als ’s zomers de zon schijnt, veel te warm, maar op denzelfden dag is het reeds vroeg ?s avonds zeer koud, daar de warmte ook weer snel uitstraalt. Bovendien komt koude berglucht langs de Alpendalen naar beneden. Snelle, onaange name afwisselingen dus. En flink regen! Reisgidsen noemen dit klimaat gezond!
3. Voornaamste plaatsen. München*, ruim 600.000 inw., de mooi gelegen hoofd- en residentie stad, aan de Isar. — Augsburg*, 143.000 inw., aan de Lech, van ouds een belangrijk kruispunt van wegen, —Lindau (5900 inw.), havenstad in 't Bodenmeer op een eilandje, met den vasten wal door een dijk met straatweg en een spoorwegviaduct verbonden.

—Kempten (21.000), schilderachtige hoofdstad van de Allgau aan de Iller, breidt zich snel uit door industrie. — Memmingen (12.400), wat Noorde lijker, waar de grond wat beter is, met koren- en hopbouw. — Aan de Isar Freising (16.000). — Lands hut (26.000), de oude hoofdstad met zijn 141 M. hoogen Martinustoren, in schoone ligging en vrucht bare omgeving. — Rosenheim aan de Inn (17.000) aan de kruising van Brennerbaan en Orient-Expres (Parijs-Weenen-Constantinopel); industrie, bad plaats, vreemdelingenverkeer. — Aan den Donau: Neu-Ulm (12.000), van minder beteekenis, dan ’t Wurttemb. Ulm. — Donauwörth (4500), vervallen.

— Ingolstadt (24.000) in een ruime, vruchtbare vlakte, vesting op een gewichtig overgangspunt van den Donau. — Straubing (22.000) te midden der rijke vlakte, die aan weerszijden van den Donau zich uitbreidt. — Passau (20.983) in schilderachtige ligging, waar 3 rivieren samen komen, zoodat op 5 oeverlijnen van verschillende hoogte de stad zich uitbreidt met afwisseling van rotsen, boomen en gebouwen. De Donau heeft gemiddeld hier een ver mogen van 290 M.s, de Inn van 260.

C. De Opper-Palts is oogenschijnlijk een Noordelijke voortzetting van de Zwab.-Beiersche hoogvlakte, helt echter in tegengestelde richting, dus N.—Z. Talrijke meertjes en moerassen herinne ren aan den geologischen tijd, toen ze geheel met water bedekt was. Ze is afgesloten door Jura in ’t W. en Bohemer Woud in ’t O., heeft een ruw klimaat en geringe ontwikkeling, is het achterland van haar hoofdstad Regensburg (63.000 inw.), waarheen de Naab, die het land afwatert, dan ook wijst. Deze oude Romeinsche stad had reeds in de Middel eeuwen een belangrijken handel, vóór den grooten tijd van Augsburg. Ze is goed gelegen als beginpunt der stoomvaart op den Donau en een kruispunt van wegen. Amsberg (26.000) wint ijzer uit de Jura (ge weerfabrieken).
D. Bohemer en Beiersche Woud, De weg van Regensburg naar Praag door den bree den pas van Taus scheidt dit gebergte met zijn harde gneis en granietgesteenten in tweeën. Het Zuidelijk deel is het hoogste, is voor 2/5 met naald bosch bedekt, en bevat vele meertjes, terwijl in het Noordelijke lagere deel door het particulier bezit veel gekapt is, zoodat de bronnen steeds meer uitdrogen. Ten W. van den Regen ligt het Beiersche Woud. Tus schen beide gebergten loopt op een verzakkingsspleet een merkwaardige 120 KM. lange bergmuur van kwartsiet, de zoogenaamde „Paal”, reeds van ver als een wit gesteente zichtbaar en dat door zijn hardheid is blijven staan, toen de omringende zachte gesteen ten door verweering verdwenen. Het is de grondstof voor vele glasfabrieken.
E. Jura. Geheel anders dan de Zwits. Jura, is de Zwabisch-Frankische een plateau, dat naar ’t Noorden steeds lager wordt. Juist in ’t W. van Beieren heeft ze een gaping, de vruchtbare vlakte Ries, die Zwabische en Frankische Jura scheidt en waar in het stadje Nördlingen (8600 inw) ligt. Langzaam helt de Jura af naar ’t Z. en naar ’t 0., maar naar het N. en W. breekt ze steil af.

Het regenwater zakt in dit onvruchtbare kalkgebergte snel weg en komt aan den N.W. voet in talrijke beekjes weer voor den dag, die steilwandige dalen in den bergrand hebben gevormd, zoodat deze een franjeachtig verloop heeft. Veel hooger dan de Zwab.-Beiersche hoogvlakte is de Jura niet; in ’t N. verheft ze zich tot 600 M. Even ten O. van het Ries breekt de Altmühl er zelfs door. In de geheele Frankische Jura vindt men veel holen en (druipsteen) grotten met overblijfselen van menschen, holenberen en leeuwen. Vooral ’t Noor delijkste stuk, zoogenaamd Frankisch-Zwitserland is daaraan rijk. Ten O. daarvan ligt Bayreuth (36.000), waar van alle kanten dalwegen samentref fen.

F. Fichtel Geb. (1060 M. hoog), een oro hydrographisch(berg- en waterverdeelings-) mid delpunt. Van dezen bergknoop stralen 4 bergke tenen met 4 rivieren daartusschen uit, die hun water naar Rijn, Elbe en Donau zenden. Het gebergte zelf bestaat uit twee bergketenen, die de richting van het Ertsgebergte hebben (ZW.—NO.) en een ke ten in ’t W., die loodrecht op de beide andere staat. Het geheel is een hoogvlakte, met bosch bedekt, waarover de spoorweg Berlijn-Regensburg-Brenner pas-Italië gaat. Van ’t Fichtel Geb. loopt naar ’t N'W. ’t Frankenwoud en in’t verlengde heeft B. nog een klein stukje van ’t Thuringer W., hier reeds even als het Fr. W. eene woudrijke hoogvlakte. Belangrijker is het kleine stukje van het nijvere Vogtland, dat B. in ’t uiterste N.O. bezit met Hof als middelpunt (41.000 inw.) met groote industrie (textiel, machines, brouwerijen).
G. Frankische Terrassen. Gaan we den steden W. rand van de Jura af, dan komen we op een volgend terras, dat zwak golvend zich uit strekt tot de hoogten, die, ten N.W. van het Ries beginnend, zich als Frankische hoogten (op de Wurttembergsche grens), Steigerwald en Haszber gen Z.—N. uitstrekken met een betrekkelijk stei len rand aan de W. zijde. Dit terras helt zacht naar ?t O. af en is door zijn kalk maar matig vrucht baar. Belangrijke plaatsen vindt men alleen aan den Oostvoet, waar ’t water zich verzamelt in een lijn N.Z. (Regnitz), waar het Ludwigskanaal Main en Donau (Altmühl), dus Noord- en Zwarte Zee ver bindt. Dit kanaal zou aanzienlijk moeten worden uitgediept, om voor de scheepvaart van groot belang te worden. In deze laagte liggen de oude stad Neurenberg* (333.000 inw.) en het zich bij Neurenberg aansluitende Fürth* (67.000 inw.), de universiteitsstad Erlangen (24.900) en Bamberg aan den Main (48.000), een der oudste steden van Duitschland, op een hoogte gelegen te midden van een uiterst vruchtbare vlakte met beroemden tuin bouw.

De Main, dien wij hier ontmoeten, is met zijn hoofdbron, den Witten Main, op ’t Fichtelgeb. ontsprongen, loopt langs Kulmbach (10.700 inw.) en wordt bij Bamberg bevaarbaar. Hij loopt door de Frankische terrassen in een dal van een 100 M. diepte, zoodat dit door de beschutte ligging een zacht klimaat heeft met veel ooftbouw en van af !t industriëele Schwemfurt (22.000) wijnbouw op de steile zonnige hellingen. Talrijke groote en kleine steden, rijke kloosters, burchten en ruïnen omzoomen het schoone rivierdal. Vruchten, wijn, kerktorens, kasteelen, klokgelui, dat is ’t echte Frankenland. Ten N. v. Schweinfurt, een levendige industriestad, ligt de badplaats Kissingen (4800). Ondertusschen hebben we al ’t volgende terras be treden, met bevoorrecht klimaat en goed bebouwd. Daar ligt Würzburg, een oude bisschopszetel en universiteitsstad (84.000) met ooft en wijn en Aschaf fenburg (30.000), waar de Main in de vlakte komt. Aan den voet van den steilen rand tusschen beide terrassen, nog juist in Beieren, ligt aan de Tauber ’t merkwaardige stadje Rothenburg, (8600 meeren deels Protestantsche inw.), waarheen jaarlijks dui zenden vreemdelingen gaan om een stad uit de middeleeuwen als uit een sprookje terug te zien.

H. Spessart, in ’t uiterste N.W., een berg land van ruim 600 M. hoog met mooie eiken- en beu kenbosschen. Alleen de dalen zijn door de armoedige bevolking bewoond.
I. Rijn Palts. Hoe klein ook, toch bevat ze zeer uiteenloopende landschappen. Ten eerste een deel der vruchtenbare Boven-Rijnsche laagvlakte, die door haar beschutte en Zuidelijke ligging het warmste en mooiste klimaat van geheel Duitsch land heeft. Ten Westen daarvan komt de Haardt met wijnrijke, steile helling naar ’t O. en langzaam hellend, boschrijk naar ’t W. Ten W. van de Haardt breidt zich een lieflijk heuvelland uit, het Westrich en daarvan ten N.W., dus reeds dicht bij de Prui sische stad Saarbrücken het Paltser Bergland met steenkolen. De bodem is hier ook vruchtbaarder dan indenHaardt.De Donnersberg (687 M.),een prachtige bergkoepel van porfier, met beukenbosschen over dekt, biedt een mooi uitzicht op ’t omgevende land. De voornaamste plaatsen zijn: Spiers* (23.000 inw.), een oude bisschopstad, met een grootsch verleden. — Ludwigshafen (83.000) met chemische industrie. Door zijn groote Rijnhaven wedijvert het met het Badensche Mannheim (206.000) er tegenover. — Een kort kanaal verbindt het bedrij vige Frankenthal (19.000 inw., suikerfabr.) met den Rijn. Zuidelijk, maar nog in ’t Rijndal, ligt Landau (18.000). — Kaiserslautern (66.000), industrie, kruis punt van wegen. — Neustadt (20.000), wijnhandeL — Pirmasens (38.000), fabrieken, vooral voor schoe nen. — Zweibrücken (16.000), vroegere residentie van een tak der Wittelsb., daardoor mooie gebouwen; industrie. — St. Ingbert (17.000), heeft door de steenkolen veel nijv. (staal, glas, leer).

II. STAATKUNDIGE INDEELING. In 1838 werd ze „op geschiedkundige grondslagen terugge bracht”, n.l.1. Zwaben ongeveer tusschen Donau en Lech; 2. Opper-Beieren: ’t Oostelijk daaropvolgende deel van Alpen en Beiersche hoogvl.; 3. Neder Beieren, ’t Noordoostelijke vruchtbare deel van de hoogvl. met de Zuidhelft van ’t Bohemerwoud; 4. Opper-Palts; 5. Opper-Frankenland met Bamberg, Bayreuth en Fichtelgeb.; 6. Midden-Frank, met Neurenberg en wat daar ten Z. en W. van ligt; 7. Neder-Frankenland: de benedenloop van den Main beneden Bamberg; 8. de Rijn-Palts.

III. BEVOLKING. (Zie eerste tabel blz. 236.)

A. Grootte. B., in oppervlakte 2,2 x Neder land, heeft bijna 7.000.000 inw. dus iets meer dan ons land. Het beslaat van het Duitsche Rijk 14 % en heeft 10,6 % van de inwoners. Dat was vroeger anders: In 1816 had het 16% van het aantal inwoners, in 1864 12,1 %. Terwijl de bevolking van het Rijk van 1816 tot 1910 toenam met 1,02 % jaarlijks, bleef Beieren, minder door industrie, mijn bouw en handel begunstigd, achter met een toename van 0,69 % (het eigenlijke Beieren met 0,67 % en de Rijnpalts, die steenkolen heeft, met 0,83 %).
B. -Dichtheid van bev. Vergeleken met Duitschland (120 inw. per KM.*) is B. met 91 niet dicht bevolkt. Dit komt, doordat B. meer landbouwstaat is en minder van industrie leeft. Dat het onvruchtbare Opper-Beieren (91 per K.M,*) en Middel-Frankenl. (123) zulke hooge bevolkings cijfers vertoonen, komt door de groote steden, München en Neurenberg. Dat het vruchtbare Ne der-Beieren slechts met 67 prijkt, komt door de staatkundige indeeling, die er nog het schaarsch bevolkte Beiersche en Bohemerwoud toe rekent.
C. Volksstammen. Beieren wordt door verschillende Germaansche volksstammen bewoond met uiteenloopende dialecten (zie hierover DUIT SCHE TAAL). Van de Zuid-Duitschers onderschei den we de Alemannen in de Algauer Alpen, de Zwa ben ten W. van den Lech en aan weerszijden van den Donau, de Beieren, die ten O. van den Lech, in de Opper-Palts en de Oostenrijksche Alpenlanden wonen. De overige rekent men tot Midden-Duitschers en wel de Franken. Ook in plaatsnamen komt dit verschil uit. Reeds boven bleek het tusschen Zwaben en Beieren uit de woorden Ried en Moos.

In Zwaben eindigen plaatsnamen op -ingen, bijv. Wertingen, Memmingen; in Beieren daarentegen op -ing: Strau bing, Erding, Assling. 41 % der bevolking zijn Beie ren en Alemannen, 12 % Zwaben en 47 % Franken. D. Godsdienst. In het oude B., dus Op per- en Neder-B. met de Opper-Palts is door de landsvorsten slechts de Katholieke godsdienst geduld, ook Zwaben is met zijn bisdom Augsburg en abdij Kempten grootendeels Katholiek gebleven. Eveneens het Maindal met zijn bisdommen Bam berg, Würzburg en Mainz, vandaar veel Kath. in Opper- en vooral in Neder-Frankenl. terwijl in Mid den-Frankenl. (met de vroegere rijksstad Neuren berg en het voormalig gebied van den Prot. Bran denburgschen markgraaf) meest Protestanten zijn. Hier is dan ook de Protestantsche universiteit van Beieren: Erlangen. De Rijn-Palts is herhaaldelijk van heerscher en daarmee van officieelen godsdienst veranderd; bijgevolg sterk gemengd.

V. GEBRUIK VAN DEN BODEM. (Zie boven dien: Landschappen).

De landbouw is het hoofdmiddel van bestaan. De wijn wordt vooral in de streken met het warmste klimaat gevonden, dus in Neder-Frankenl. (Stein wein), aan de zonnige hellingen van het Maindal en vooral in de Rijnpalts. — De veeteelt is overal met den landbouw verbonden en bloeit ’t meest in de Alpen en de streek daarvoor. In de Algauer A. is 22 % grasland en l1/2 % bouwland. — Bosch vooral in de bergen (Alpen en ten Z. v. München, Bohemer W., W.voet van Frankische Jura, Spessart, Haardt). — Grootgrondbezit is er, wat de akkers betreft, veel minder dan in Pruisen. 62 % van het land heeft landbouwbedrijven van 6—20 H.A., en slechts 2,2 % van 100 H.A. en daarboven; Pruisen 28%. In 1913 werd het akkerland op de volgende wijze ge bruikt: In B. werd in 1914 voor 10,7 mill. Mark aan wijn geoogst, daarvan kwam 9,6 op de Palts en 1,1 op Neder-Frankenl. — Van de 23.236.600 KG. hop, die in 1914 in Duitschl. werd verbouwd, kwam op B. 12.190.000 K.G., dus ongeveer de helft; voor al in Midden-Frankenl. en ten N. van München. — Tabak in de Rijnpalts (gaat achteruit). — Vlas: Opperpalts, Passau. — Hennep: Opp. en Ned. B. — Beetw.: Rijnp. — Tarwe: Beiersche Hoogvl. bij Straubing, Landshut, Passau. — Spelt in Zwaben.

VI. DELFSTOFFEN zijn er niet veel. In 1910 leverden de kolenmijnen 774 mill. K.G. (Duitschl. 161.053). Vooral in de Palts bij St. Ingbert aan de W.grens.

Turf in de Erdinger en Dachauervenen en aan den voet der Alpen. Bruinkolen zijn er meer dan steenkolen: 1946 mill. K. G. (D. : 67.666), in ’t N. van de Rijnpalts, bij de Inn in de Alpen en vooral ten W. en N. van Regensburg, waar ze van belang zijn voor de ijzerproductie van Jura, Beiersche W. en Fichtel G., dus in de Opper-Palts en Opp.-Fr.: 305 mill. KG. (D. : 22966) — Van meer belang is het zout in het Z.O.: Rosenheim, Reichenhall, enz. — Minerale bronnen in de Alpen en Opper- en Neder-Fr. — Grafiet bij Passau. — Lithogr. steen bij Solnhofen en elders in Midd. Frankenl. — Verder wat lood en koper.

VII. NIJVERHEID EN HANDEL. Industrie, die zich over geheele landschappen uitbreidt, zooals in Saksen of Westfalen, vindt men in Beieren niet. Ze bepaalt zich tot de groote steden. Beroep, in duizendtallen inwoners. Hieruit volgt, dat in Zuid-B. de industrie niet bijzonder belangrijk is. Bijna 2 x zooveel menschen houden zich met landb., veet. en boschcult. bezig. In Noord-B. is de verhouding iets gunstiger (Neu renberg), terwijl de Rijnpalts meer een industrie land blijkt te wezen, hoewel het naar verhouding bij het geheele Rijk ten achter blijft. Naar de bevolking moest B. van Duitschlands industrie 10,6 % hebben; inderdaad had het, naar het aantal personen, dat er zich mee bezig hield in 1913: voor mijnbouw 1,8 %, metaalbewerking 8,1 %, machines 7,4 %, chemische industrie 15,5 % (Lud wigshafen!), textielindustrie 6,8 %, papier 9 %, leer 4,8 %, voedings- en genotmiddelen 8,2 %, kleeding 10%, bouwvakken 22,3 % (!), polygraphie 10 %. Totaal aantal arbeiders, dus ook handwerksnijver heid 81/2%.

Plaatsen, waar deze industr. worden uitgeoefend.

IJzer: Opper-B., Rijn- en Opperpalts. Machines, waggons: München, Neurenberg, Augsburg, Würz burg. Groote geweerfabr. te Amberg (Opp.-B.). — Koper en messing: München, Neurenberg en Augs burg. — Edele metalen: München en Neurenberg.

— Textiel: vooral Zwaben (Augsb.) Münch., Hof (N.O. v. B.), Rijn-P. (Zweibrücken, Kaiserslautern)

— Bier in 1913:1600 fabrieken, vooral te München, Augsburg, Neurenberg en Hof; brouwen 19 mill. H.L. (Duitschl. 69m.); d.i. per hoofd 270L. (D. 103). Verbruik per hoofd en per jaar in B. 232 L. (D. 102). Sterke drank: 170.000 H.L. (D. 3.844.000). Por selein: Nymphenb. bij München. — Glas: Bohemer Woud. — Houtsnijwerk: Alpen. Vaten: München, Kaiserslautern. Meubels: M. A. en N. — Speelgoed en kramerij, schrijf- en teekenbehoeften in Neur. Fürth; meest van metaal, leer en papierdeeg.

— Leer: Pirmasens (Rijn-P.) — Parfum: München en Würzburg. — Zeep en olie: Neurenberg. — Verfw.: München en Schweinfurth. — Optische instrumenten: München en Neurenberg. — Blaas instr. ; Neurenberg-Fürth ; violen : Mittelwald ; orgels: Oettingen.

Handel. Voor de wegen zie: Landschappen.

— De korenhandel is in München gevestigd, hoph. in Neurenberg; Augsburg is de voornaamste wol markt. — Uitvoer: koren, aardapp., hop, bier en wijn, fabrikaten en lithogr. steen. — Invoer: koloniale w., zuidvruchten, grondstoffen voor de nijverheid.

VIII. LEGER Het leger van B. vormt een zelfst. onderdeel van het Duitsche leger en treedt in oor logstijd onder het opperbevel van den keizer. Het B. leger bestaat in vredestijd uit drie armeekorpsen, nl. het Ie, IIe en Ille Koninkl. B. Armeekorps, waarvan de staven respect, gevestigd zijn te Mün chen, Würzburg en Nürnberg. Deze drie korpsen, elk bestaande uit 2 divisiën, tellen gezamenl.: 24 reg. inf. (elk van 3 bat. en 1 machinegeweer-comp.), 2 bat. jagers te voet, 1 mitrailleur-afd., 12 reg. caval., 12 reg. veld-artill. (totaal 72 batterijen, elk van 6 vuurmonden), 3 batterijen rijdende artill., 3 reg. voet-artilL, 4 bat. pioniers, 1 spoorwegbat., 2 telegraafbat., 1 bat. luchtschippers en automo bilisten, 1 bat. vliegeniers en 1 treinbat. — De totale vredessterkte van het B. leger bedraagt onge veer 3500 offic. en ruim 82.000 onderofïic. en min deren.

Litteratuur. Het topographisch bureau geeft kaar ten uit: Topogr. Karte v. B., 1:25.000 (3 kleurig) en Atlas v. B., 1 : 50.000 (4 en 6 kleurig) en het aan deel van Beieren in de Karte des Deutschen Reiches 1:100.000 (3 kleurig).—Götz, Geogr.-histor. Hand buchv. Bayern. 2 dln. (München 1895—1898). — Götz, Landeskunde des Königr. B. (Leipzig 1904. „Sammlung Göschen”). — Monographieën in de uit gave „Land und Leute”: prof. Haushofer over Ober bayem (1900), Götz over Frankenland (1909) met opgave van uitgebreide litteratuur over B. Aardige volksboeken (van f 0,40) over München, Neurenberg, Beiersche Hoogvl., enz.

Voor statistiek de Gothaer Hofkalender, en in de eerste plaats de statistische jaarboeken voor het Duitsche Rijk en voor het Ko ninkr. Beieren. Verder in het jaarlijks verschijnende „Zeitschrift des Bayer. statist. Landessamtes”. Voor verdere litteratuur, die nog mocht verschijnen, zoeke men in Geographisches Jahrbuch (Leipzig) en in de afdeeling voor Erdkunde in de Bibliotheca geographica (Berlin).

IX. GESCHIEDENIS. In het jaar 15 v. Chr. be gonnen en voltooiden Tiberius en Drusus, stief zonen van Keizer Augustus, de onderwerping der Alpenlanden, waarin zich omstreeks dezen tijd Keltische en Rhetische volksstammen hadden gevestigd. Het veroverde land werd een Romeinsche provincie. De Germaansche volkeren ten Noorden van dit deel van het Romeinsche gebied vereenigden zich tot een defensief verbond, stelden aan de Ro meinsche veroveringen paal en perk en werden van verdedigers weldra aanvallers; als hoofd-element dezer verbonden volkeren traden eerst de Marko mannen in Bohemen, later de Hermunduren en de Quaden op; zoowel deze als alle naburige stammen werden door den vloed der volksverhuizing meege sleept of door de Hunnen verdrongen; uit een deel dezer stammen, waarvan de overgebleven leden, toen de Romeinen door de Alemannen en de Thürin gers verdreven waren (omstr. 480), zich in de streken ten Zuiden van den Donau vestigden, ontstond het volk der Beieren, waarvan een stamhoofd Agilolf den grond legde van het eerste hertogelijk huis van B., dat der Agilolfingers; de Agilolfinger Garibald was de eerste, die den titel van Hertog (met ongeveer de macht eens Konings) van B. voerde (660—590); min of meer onafhankelijk regeerde dit geslacht tot aau den val van het Langobardenrijk in Italië; Gari bald II (612) voerde strijd met Slaven en Avaren in het Oostelijk deel van zijn gebied; onder Theodo (690—717) verschenen de Beieren als een geheel zelf standig volk. Terzelfdertijd breidde het Christen dom zich onder hen uit, vooral door de prediking van Rupprecht, Emmeram en Corbinianus. Theodo be noemde zijn zonen Theodebert, Grimoald en Tassi lo II tot mede-regenten; in 725 deden Karel Martel en de Langobardenkoning Liutprand een inval in B., hetgeen drie jaren later door Karel werd herhaald, waarbij de heerschzuchtige Grimoald geheel ten onder werd gebracht en B. eenigermate zijn zelf standigheid verloor. Onder de opperheerschappij der Franken verkreeg nu Hugbert, een zoon van Theodebert, en na hem (737) Utilo, een kleinzoon van,Theodo, de heerschappij over B.; onder dezen laatste verdeelde Bonifatius de Beiersche kerk in vier bisdommen (Salzburg, Passau, Regensburg en Freising), waarbij in 743 een vijfde (Eichstätt) kwam; tegenover de zonen van Karel Martel streefde Utilo naar de vrijmaking van zijn land van den Fränkischen invloed, hetgeen tot vijandelijk heden leidde, die in 743 met de nederlaag der Beieren eindigden; het land werd een Frankisch wingewest, doch behield voorloopig zijn eigen Hertogen en tot op Utilo’s dood (748) bleef de vrede bewaard; deze werd opgevolgd door zijn nog onmondigen zoon Tassilo III, den laatste der Agilolfingers, die in 788 op den rijksdag te Ingelheim door Karel den Groote van zijn waardigheid ontzet verklaard en naar een klooster verbannen werd, terwijl B. bij het groote Frankische rijk werd ingelijfd. De overwin ningen van Karel den Groote op de erfvijanden van B., de Avaren, waardoor de kracht van dit volk gebroken werd, waren voor B. van groot belang.

Met het verval van het Frankische rijk ving voor B. een nieuw tijdperk van zelfstandigheid aan, totdat onder Lodewijk den Duitscher (840— 876) B. het overwicht over de Oostfrankische stam men verkreeg, zoodat het als de bakermat der Oostfrankische dynastie is te beschouwen; na den dood van Lodewijk het Kind (899—911) in 911, met wien het Karolingische vorstenhuis in de mannelijke lijn uitstierf en onder wiens regeering de Noor mannen en Magyaren hunne invallen in deze streken begonnen te vermenigvuldigen, kreeg B. weer zijn eigen Hertogen. De eerste van deze was Arnulf, zoon van Luitpold, die de stamvader is van het huis, dat nog heden over B. regeert en die in 907 in een bloedigen veldslag tegen de Magyaren sneu velde ; Arnulf werd later door den Duitschen Koning Hendrik I erkend en bevestigd en stierf in 937. Toen zijn zoon Otto (de Groote) weigerde Hen drik als opperheer te erkennen, werd hij afgezet en een andere zoon, Berchtold, kwam aan het bestuur (938 —945). In 947 kreeg een broeder van Otto I, Hendrik (947—955), die gehuwd was met Judith, eene afstammelinge uit het geslacht der Luitpoldingers, het hertogdom B. in leen. Zijn op volger was zijn zoon Hendrik II (de Twistzieke, 956—976, 986—995), die in 976 door Keizer Otto II werd afgezet, omdat hij, verbonden met Bohemen en Polen, een opstand tegen dezen was begonnen; in hetzelfde jaar werd het hertogdom Zwaben met B. vereenigd en werd Hertog Otto van Zwaben hiermede beleend, terwijl Karinthië als afzonder lijk hertogdom van B. werd afgescheiden. Na den dood van Keizer Otto (983) wist Hendrik II tot aan zijn dood (995) de heerschappij over B. te her winnen. In 1002 besteeg zijn zoon Hendrik IV als Hendrik II den Duitschen koningstroon; deze schonk den Beieren Hendrik V, een Luxemburger, tut Hertog (1004). Toen deze in 1026 stierf, waren de Frankische of Salische vorsten in Duitschland aan het bewind en deze volgden ten opzichte van B. eene politiek, die geheel tegenovergesteld was was aan die der Saksische, en B. werd meestal door hunne zonen onder den titel van Hertog bestuurd, zoo door Hendrik III als Hertog Hendrik VI (1027— 1042). Na de regeering der Lotharingers Hen drik VII (1042-1047) en Koenraad (1049-1063) schonk keizerin Agnes (van Poitou) B. in 1061 aan Otto van Nordheim, om Saksen voor zich te winnen; deze werd in 1070 afgezet en door Welf I opgevolgd, die hetzelfde lot onderging, waarop Keizer Hendrik V tot 1096 het hertogdom onder eigen bestuur hield; daarop herkreeg Welf I het tot zijn dood in 1101, onder wiens bewind de hertogelijke waardig heid erfelijk werd.

Op hem volgden Welf II (1101— 1120) en Hendrik IX (1120—1126); de zoon van den laatste, Hendrik X, gehuwd met Gertrude, doch ter van Keizer Lotharius, was tevens Hertog van Sak sen; onder hem brak de strijd der Welfen en Hohen staufen uit. In 1138 werd hij afgezet en het bestuur over B. kwam nu aan den BabenbergerLeopold (1138 —1141) en diens broeder, Hendrik XI bgn. Jasomir gott (1143—1166). Door Keizer Frederik Barbarossa werd vervolgens Hendrik de Leeuw tot Hertog over B. aangesteld; met diens val schonk Barbarossa het hertogdom aan Paltsgraaf Otto van Wittelsbach (1180), met wien het tijdperk der middengeschiede nis van B. gerekend wordt aan te vangen. Na Otto’s dood (1183) volgde zijn zoon Lodewijk I (1183-1231) op, die in 1214 den Rijn-Palts bij zijn gebied voegde en de hertogelijke macht zeer uitbreidde.

In 1255, na den dood van Otto II (1231—1263), verdeelden diens beide zonen, Lodewijk II (1263—94 en Hen drik XIII (1263—1290) het land in dier voege, dat Lodewijk Opper-B. en den Rijn-Palts en Hendrik Neder-B. verkreeg. Frederik de Schoone van Oostenrijk en Lodewijk IV van Opper-B. (1300 —1347) werden in 1314 gelijktijdig tot Koning gekroond (zie Lodewijk v. B.); in 1328 verkreeg laatstgenoemde de keizerskroon; zijne regeering was voor ’t Duitsche rijk niet voordeelig en bracht ook B. geen blijvende voordeelen. In 1329 sloot hij te Pavia met zijn neven, de zonen van Rudolf (1291—1317), een verdrag, waarbij deze den Rijn-Palts en een deel van den Opper Palts verkregen. In 1340 stierf de Neder-Beier sche linie uit en Keizer Lodewijk vereenigde beide deelen onder zijn bestuur; in 1346 onder nam hij een tocht naar Henegouwen en Holland, waar zijne vrouw, Margaretha, regeerde en stierf plotseling in Oct. 1347, waarop een groot gedeelte van zijn rijk, afkeerig van ’t geslacht Wittels bach, Koning Karel IV van Bohemen toeviel. In de 14de en 16de eeuw verwierf B. zich vele rechten en vrijheden, waartoe de voortdurende geldverlegenheid der vorsten eene gunstige ge legenheid bood; gedurende dit tijdperk ontwikkelde zich ook de macht der landsstenden, terwijl tege lijkertijd de macht van den Hertog door de herhaalde deelingen van het gebied voortdurend verzwakte, totdat Albrecht IV (1465—1508) met de hulp van Keizer Maximiliaan de opvolging volgens het recht van eerstgeboorte invoerde.

B. had intusschen vele verdeelingen ondergaan; de zes zonen van Keizer Lodewijk deelden het land in 1349 in Neder-B. met de Hollandsche pro vinciën en Opper-B. met Tirol, Brandenburg en Lausitz; in Neder-B. volgde hierop in 1353 een nieuwe splitsing in Neder-B.-Landshut en Neder-B. Straubing; in 1363 kwam Opper-B. aan Neder-B. Landshut; in 1392 volgde een nieuwe deeling in B. Ingolstadt, B.-Landshut en B.-München; B.-Strau bing werd in 1429 onder deze drie verdeeld; B. Ingolstadt viel in 1447 aan Landshut, dit weer in 1606 aan B.-München, hetgeen aan de deelingen een einde maakte. In ’t midden der 16de eeuw geraakte Hertog Lodewijk van B.-Landshut in oorlog met Markgraaf Albrecht Achilles van Brandenburg over het bezit van de vrije rijksstad Donauwörth, die ech ter aan geen van beiden kwam, maar vrij bleef, in welken oorlog in B. volgens de kronieken ± 600 ste den, dorpen, kasteelen en gehuchten verwoest wer den. In den aanvang der 16de eeuw bracht de zgn. Palts-Beiersche twist of Landshutersuccessie-oorlog nieuwe ellenden over dit gewest. Deze twist betrof in hoofdzaak het bezit van dat gedeelte van B., dat den naam droeg van B.-Landshut. Het resultaat van dezen oorlog was, dat in 1505 B.-Landshut aan Her tog Albrecht IV van B.-München kwam. Na Al brechts dood in 1608 regeerden zijne zonen Wilhelm IV en Lodewijk van 1515—1545; in welk jaar de laatste stierf, gemeenschappelijk.

Hun regeering was voor B. een zeer merkwaardig tijdperk. Beide Her togen, aanvankelijk de Reformatie met belangstelling gadeslaande, sloegen echter weldra, toen zij bemerk ten, dat ten eerste het Beiersche volk er afkeerig van was en ten tweede, de Hervorming ook een politiek karakter kreeg, een geheel anderen weg in. 6 Maart 1622 vaardigde Hertog Wilhelm IV het edict van Worms uit, dat de Luthersche leer in zijn gebied verbood. In 1649 werden de Jezuïeten naar Ingolstadt ontboden. Op Hertog Wilhelm volgde zijn zoon, Albrecht V, die van 1650 tot 1679 regeerde en den bijnaam van den Grootmoedige ontving; van zijn drie zonen volgde Wilhelm V hem op, die in 1597 ten behoeve van zijn zoon Maximiliaan I (1597—1651) afstand deed; genoemde Hertog was een der merkwaardigste vorsten van B., een der eerste staatslieden van zijn tijd en als leider der door hem in het leven geroepen Liga (1609) een der meest invloedrijke hoofden der Katholieke partij gedurende den 30-jarigen oorlog, waaraan hij zich gedwongen zag deel te nemen. De vrede van West falen bevestigde zijn geslacht erfelijk in de regee ring over B., schonk hem den titel van Keurvorst en wees hem den Opper-Palts en het graafschap Cham toe (24 Oct. 1648); hij stierf 27 Sept. 1651 te Ingolstadt. Zijn opvolger was Ferdinand Maria (1651—79), die er naar streefde de ellende, door den 30-jarigen oorlog veroorzaakt, te verzachten en trots alle pogingen van Frankrijk, om hem tegen Habsburg op te zetten, den vrede bewaarde. Zijn opvolger was Maximiliaan II Emanuel (1679—1726), die in 1592 gouverneur der Zuidelijke Nederlanden werd; aanvankelijk eene het huis Habsburg welge zinde politiek volgende, koos hij echter in den Spaan schen Successie-oorlog de zijde van Frankrijk en bracht daardoor grooten tegenspoed over zijn land, dat door de Oostenrijkers na hun overwinning bij Höchstadt of Blenheim, 13 Aug. 1704, als veroverd land beschouwd en behandeld werd, terwijl hij zelf het land moest verlaten, totdat bij den vrede te Baden in Zwitserland, 1714, de over hem uitge sproken rijksban werd opgeheven en hij de keur vorstelijke waardigheid en zijn landen terugkreeg; de landvoogdij over de Nederlanden, die hij in tusschen had uitgeoefend, ging voor hem ver loren. Bij zijn dood, 26 Febr. 1726, liet hij zijn zoon en opvolger, Karel Albrecht (zie Karel VII) een schuldenlast van 30 millioen gulden na.

In den eersten tijd beproefde deze in den financieelen toe stand van B. verbetering te brengen, doch hij liet zich weldra, bezwijkende voor zijn genotzucht en pracht lievendheid, tot uitgaven verleiden, die in geenerlei verhouding tot de staatsinkomsten stonden. Bij den dood van Keizer Karel VI (1740) deed hij daaren boven aanspraken gelden op de Oostenrijksche erflanden en werd daardoor in den Oostenrijkschen Successie-oorlog (1741—48) gewikkeld; hij grondde zijn aanspraken op zijn afstamming van Anna, dochter van Keizer Ferdinand I en gemalin van Hertog Albrecht V van B., en op een door genoem den Keizer ten behoeve harer nakomelingen nage laten testament. Te Versailles was men echter in geenen deele genegen om het huis Wittelsbach de plaats van het huis Habsburg te doen innemen. In Sept. 1741 opende Karel Albrecht den veldtocht; Linz werd genomen, Weenen lag open en onver dedigd voor hem, geheel Opper-Oostenrijk viel den Beierschen Keurvorst toe, toen hij door de Fran schen, zijn bondgenooten, naar Bohemen werd gedreven; wel viel Praag in zijn macht en huldigde de Boheemsche adel hem (19 Dec. 1741), doch de strategische misslag van Weenen niet te hebben bezet, was niet weder goed te maken; Maria Theresia kreeg hulp van de Hongaren en terwijl Karel door den invloed van den Keurvorst van den Palts, Frankrijk en Pruisen 24 Jan. 1742 te Frankfort tot Keizer gekozen en 12 Febr. als Karel VII ge kroond werd, bezetten de Oostenrijkers Bohemen en B.; tegelijkertijd vielen al zijn bondgenooten hem af of bleken onmachtig hem bijstand te verleenen om den strijd voort te zetten; met afwisselend geluk hield hij den strijd nog eenigen tijd vol, waarbij vooral B. vreeselijk leed, totdat hij 20 Jan. 1745 plotseling stierf. De nieuwe Keurvorst van B., Maximiliaan III Josef (1745—77), sloot te Füssen 22 April 1745 vrede met Oostenrijk, daarbij afziende van alle aanspraken op de Oostenrijksche opvol ging. Hij wijdde zich met hart en ziel aan het welzijn van B., begunstigde industrie en landbouw en herzag, bijgestaan door bekwame mannen als Kreitmayer en Ickstadt, de rechtspraak. 28 Mrt, 1769 stichtte hij de Academie van Wetenschappen te München. Zijn huwelijk bleef kinderloos. Om mogelijke intriges van Oostenrijk te voorkomen, sloot hij in 1766 een nieuw familieverdrag met Keurvorst Karel Theodoor van den Palts, waarin in 1774 ook Karel August van Palts-Zweibrücken, als naaste erfgenaam van den kinderloozen Karel Theodoor, werd opgenomen.

Maximiliaan Josef stierf 30 Dec. 1777 kinderloos; met hem stierf de Beier sche linie der Wittelsbachers uit. Karel Theodoor (1777—99) werd nu Keurvorst van Palts-B. München werd de hoofdstad der weer hereenigde landen. Reeds dadelijk, zelfs nog voor den dood van Maximiliaan Josef, deed Josef II van Oostenrijk aanspraken gelden op gedeelten van B. Karel Theodoor had slechts natuurlijke kinderen, zoodat de kansen voor Karel August van het kleine Palts Zweibrücken, volgens het familieverdrag van 1774 naaste erfgenaam, zeer goed stonden. Daar echter Karel Theodoor dit blijkbaar met leede oogen aanzag en meer het oog gericht had op de belangen zijner natuurlijke kinderen dan op die van zijn erfgenaam, meende Keizer Josef II, indien hij slechts dezen kinderen schitterende posten toezegde, den Keur vorst te kunnen bewegen hem Neder-B. en en kele andere deelen af te staan. En inderdaad kwam een verdrag in dezen geest tot stand, dat door Karel Theodoors minister te Weenen werd geteekend. Op dit verdrag bouwde Josef II al zijn hoop, want de aanspraken zelf waren meer dan twijfelachtig, hoewel de eerste Oostenrijksche rechtsgeleerden er al hun scherpzinnigheid en spits vondigheid op hadden toegepast, om er iets van te maken. Van de groote mogendheden duchtte Josef niets, daar deze voor het meerendeel hun handen met andere zaken meer dan vol hadden. Al dadelijk stuitte hij echter op de vaderlandsliefde der Beieren zelf. Een Beiersche prinses en een Beiersche minister hadden namelijk reeds voor den dood van Maximiliaan Josef bewerkt, dat Karel Theodoor de acten van inbezitneming onder teekend naar München had opgezonden; en hoewel Karel zelf van deze acten op grond van zijn reeds aangevangen onderhandelingen met Oostenrijk niet dadelijk gebruik wilde maken, had men toch reeds op 30 Dec. 1777, den dag van Maximiliaan Josefs overlijden, de geheele erfenis openlijk voor hem in bezit genomen en dit den volke kond gedaan. Jo sef stoorde zich hieraan niet.

Dadelijk nadat het verdrag tusschen hem en Karel Theodoor geteekend was,liet hij Neder-B. door Oostenrijksche troepen be zetten. Noch Karel Theodoor, noch zijn toekomstige erfgenaam, teekenden hiertegen verzet aan. Josef zou derhalve zijn oogmerk bereikt hebben, indien niet plotseling Frederik II van Pruisen verklaard had, de beschreven rechten van de Zweibrücker linie tegen Habsburg te zullen handhaven, na vooraf de verschillende partijen bewerkt te hebben, bij de Beieren een geest van verzet te hebben wakker ge schud en den toekomstigen erfgenaam er toe te heb ben gebracht tegen elke verkorting van zijn aan spraken op geheel B. met nadruk te protesteeren. Aldus ontstond de Beiersche successie-oorlog, ook wel spottenderwijs de Aardappeloorlog (Kartoffel krieg) geheeten, omdat de soldaten in hun bivaks in Bohemen hoofdzakelijk om het product der landen vochten. In den aanvang van Maart 1779 werd een wapenstilstand gesloten, nadat Rusland en Frankrijk, het eerstgenoemde door Pruisen, het tweede door Oostenrijk ingeroepen, de bemiddeling op zich genomen hadden. Van beide staten kon Josef niets voor zijne plannen verwachten. Rusland had reeds in het belang van Pruisen een leger aan de grenzen van Galicië bijeengetrokken en het Fransche ministerie was, de familiebetrekking van Lodewijk XVI met Josef ten spijt,niet genegen om de macht van Habsburg ten koste van Duitsche vor sten te helpen vergrooten. Maria Theresia liet zich door de Russische bedreiging en door den raad van Frankrijk bewegen om, zonder op het plan van haren zoon te letten, de door Frankrijk gedane voorslagen aan te nemen. De laatste onderhandelingen hadden plaats op een congres te Teschen en eindigden 13 Mei 1779 met een voor Pruisen eervol vredesverdrag. Oostenrijk moest de met Karel Theodoor gesloten overeenkomst nietig verklaren en verkreeg in plaats van de 250 vierkante mijlen van B., waarop het aan spraak gemaakt had, de slechts 34 vierkante mijlen groote landstreek tusschen de Donau, de Inn en de Salzach (het Innviertel).

Daarentegen werden de door Oostenrijk betwiste erfelijke aanspraken van Pruisen op Ansbach en Bayreuth volledig erkend. De latere regeering van Karel Theodoor was voor B. een tijd van achteruitgang op elk gebied. Hij stierf 16 Febr. 1799; met hem stierf de linie Neuburg-Sulzbach van het huis Wittelsbach uit. Hij werd opgevolgd door Keurvorst Maximiliaan IV Josef van Pfalz Zweibrücken (1799—1825), die landbouw en nijver heid, wetenschap en kunst bevorderde en alles deed wat strekken kon om B. te doen opleven. Niettemin werd het land betrokken in den tweeden coalitie oorlog tegen Frankrijk (1798—1801); generaal Kray, de aanvoerder der verbondenen, moest wijken en de Franschen bezetten 27 Juni 1800 München, bestorm den 7 Juli Landshut en behaalden bij Hohenlinden 3 Dec. een overwinning, die allen verderen tegenstand nutteloos maakte, terwijl B. bij den vrede van Luné ville 9 Febr. 1801, de landen van den Palts aan Frankrijk moest afstaan; zijn politiek geheel wijzi gende, sloot B. kort daarop met Frankrijk een ver drag, waarbij zijn territoriaal bezit werd vastge steld; een rijksdeputatie werd aangewezen om deze zaak te regelen en 26 Febr. 1803 werd het eindbe sluit bekend gemaakt, dat 24 Mrt. door den rijksdag werd goedgekeurd; van de verloren landen herkreeg B. de aartsbisdommen Würzburg, Bamberg, Frei sing en Augsburg, deelen van Passau, Eichstatt, Kempten, twaalf abdijen, vele rechten en inkomsten ten koste der geestelijkheid in Augsburg en 17 rijks steden en rijksdorpen, waaronder Ulm, Nördlingen Memmingen, Kempten, Schweinfurt. Toen in 1805 een nieuwe oorlog tusschen Oostenrijk en Napoleon uitbrak, sloot Maximiliaan Josef zich nog op het laatste oogenblik vóór den aanvang der vijandelijkheden bij Frankrijk aan, waartoe hij zich aarzelend verbonden had bij verdrag van 29 Aug. 1805. De Beiersche troepen vereenigden zich in Franken met de Fransche en bij den reeds op 26 Dec. volgenden vrede van Presburg verkreeg de Keurvorst tegen het vorstendom Würzburg, het graafschap Tirol met de bisdommen Brixen en Trient, Vorarlberg, het graaf schap Burgau, deelen van Eichstätt en Passau, de rijkssteden Augsburg en Lindau, de graafschappen Hohenems en Königsegg en de heerlijkheden Tett nang en Argen, benevens den koningstitel, dien hij 1 Jan. 1806 aannam, zoodat B. een koninkrijk was ge worden. Bij het verdrag van Schönbrunn, 15 Dac. 1805, tusschen Pruisen en Napoleon, was ook het markgraafschap Ansbach aan B. gekomen.

Napoleon wilde B. ook verder voor zijn plannen gebruiken en zocht het derhalve zoo sterk mogelijk te maken. 12 Juli 1806 moest B. tot het Rijnverbond toetreden; de acte van het Rijnverbond wees de rijksstad Neuren berg aan B. toe, benevens de bezittingen van vele rijksstendige vorsten en graven, waarvoor B. de ver plichting aanvaardde Napoleon in oorlogstijd 30.000 man hulptroepen te zenden. In den oorlog van Prui sen tegen Napoleon van 1806— 7 streden de Beieren onder Fransche aanvoerders en kroonprins Lodewijk voerde in den slag bij Pultusk, 26 Dec. 1806, zelf het Beiersche contingent aan tegen de met Pruisen ver bonden Russen. Intusschen zocht de staatsman Montgelas den inwendigen toestand van B. te ver beteren. 1 Mei 1808 werd een nieuwe grondwet uit gevaardigd; B. werd in 15 kreitsen verdeeld, lijf eigenschap, vrijstelling van belasting des adels, con fiscatiën werden afgeschaft, gewetens- en persvrij heid gewaarborgd; bij edict van 24 Juli 1808 werd een nieuw stelsel van rechtspraak ingevoerd, waarbij ook het strafrecht geheel gewijzigd werd; op heftigen tegenstand stiet Montgelas echter, toen hij ook een aanvang scheen te willen maken met hervormingen, die het godsdienstig gevoel der Beieren raakten. Dit bleek voornamelijk bij de Tirolers, die ten slotte, gesteund door Oostenrijk, in 1809 opstonden. An dreas Hofer was de leider der opstandelingen, die aanvankelijk succes hadden, maar na de komst van Napoleon zelf spoedig onderworpen werden. In de ge vechten tusschen 19—23 April bij Hausen, Abens berg, Landshut, Eggmühl en Regensburg werden de Oostenrijkers, die inmiddels de Isar waren over getrokken en in B. binnengevallen, teruggeworpen, waarop zij naar Bohemen aftrokken; daarna wordt de opstand spoedig gedempt. B. verkreeg bij den vrede van Weenen, 14 Oct. 1809, het vorstendom Regensburg, het markgraafschap Bayreuth, Salz burg, Berchtesgaden en het Innviertel; daaren tegen stond het Zuid-Tirol aan Italië, Ulm aan Württemberg en een deel van Franken met Schwein furt aan het groothertogdom Würzburg af. Op het aan B. toegevoegde gebied rustten echter zware las ten; de staatsschuld steeg van 76 tot 102 millioen gulden; overal begon de Fransche beschermingen vriendschap zwaar te drukken; de aanhang van kroonprins Lodewijk, die de Franschen hartgrondig haatte, groeide met den dag aan, hoewel Montgelas aan het bondgenootschap met Frankrijk bleef hech ten. Toen Napoleon in 1812 den oorlog met Rusland begon, stelde B. nogmaals 30.000 man onder Wrede te zijner beschikking.

Slechts weinigen zagen hun vaderland terug. Niettemin gehoorzaamde Koning Maximiliaan Josef aan Napoleon's bevel tot nieuwe krijgstoerustingen voor den veldtocht van 1813; te goeder ure wist de Oostenrijksche generaal Frimont den Beierschen koning echter nog te bewegen, het verdrag van Ried te onderteekenen, 7 Oct. 1813, waardoor B. van Frankrijk gescheiden werd en het zich aan de zijde der geallieerden voegde. In de na de invasie in Frankrijk volgende ge vechten onderscheidden de Beieren zich meer malen, zooals bij La Rothière, 1 Febr. 1814, en bij Bar-sur-Aube en Arcis-sur-Aube, 20 Mrt. 1814, waar Napoleon generaal Wrede het slagveld moest laten. 31 Mrt. trokken de verbondenen Parijs binnen. Metternich sloot hier met Wrede een geheim verdrag betreffende de ten uitvoer legging van de bepalingen ten opzichte van verandering van gebied en de wederzijdsche schadeloosstellingen. Ook in 1815 trokken de Beieren mede op naar Frankrijk, doch vonden geen gelegenheid zich bij zonder te onderscheiden. Op het Weener Congres trad B. toe tot den Duitschen Bond. Na den twee den vrede van Parijs, 20 Nov. 1815, vormde B. een staat van 1380 vierkante mijlen met 31/2 mil lioen inwoners. Montgelas vatte nu zijn hervor mingen weder op, daarbij nog steeds uitgaande van het standpunt, dat slechts de ambtenarenstand de natie vertegenwoordigt en dat het „volk” te wan trouwen is en er onder gehouden dient te worden. Zijn conservatisme viel echter niet in den smaak; 2 Febr. 1817 werd hij plotseling uit al zijn ambten ont slagen, wat het werk was van den kroonprins en van vorst Wrede. Rechberg nam nu de leiding der bui tenlandsche zaken op zich, Thürheim die der binnenlandsche, Lerchenfeld der financiën. B. werd in 8 kreitsen verdeeld.

Omstreeks dezen tijd vingen ook onderhandelingen met de Kerk over een Beiersch concordaat aan, dat door het Vaticaan in December uitgevaardigd werd; de grondwet werd hiermede in overeenstemming gebracht en 26 Mei 1818 afgekondigd; 4 Febr. 1819 kwamen de stenden voor de eerste maal bijeen. De Koning, Maximiliaan Josef, stierf 13 Oct. 1825 en werd opgevolgd door Lodewijk I, 1825 — 48, onder wien, hoewel in hoofdzaak zijns ondanks, een nieuwe geestesrichting in B. begon te heerschen. Deze vorst deed veel voor de regeling der financiën, breidde aanvankelijk de vrijheid van drukpers uit en beschermde bovenal kunsten en wetenschappen. Het omwentelingsjaar 1830 ging in B. nagenoeg zon der onlusten voorbij; niettemin begon de regeering vrees te koesteren voor een mogelijken opstand. Toen zij hierop beperkende bepalingen op de druk pers uitvaardigde, werd zij zoo heftig door de ver tegenwoordiging aangevallen, dat zij gedwongen was, deze bepalingen in te trekken; zij bleef echter voort gaan op den weg der reactie. In 1833 trad Beieren toe tot het Pruisisch tolverbond; in hetzelfde jaar werd ook de eerste Duitsche spoorlijn tusschen Neu renberg en Fürth geopend. In 1837 werd B. in acht regeeringsdistricten verdeeld. Het jaar 1848 veroor zaakte ook in B. troebelen. De kunstlievende Koning stond geheel onder den invloed van eene Spaansche danseres, Lola Montez, door hem tot gravin van Landsfeld verheven; de buitensporige levenswijze dezer maitresse verwekte algemeene ontevredenheid en na een oproertje te München, in Febr. 1848, liet de koning Lola vertrekken. De gemoederen waren echter aan ’t gisten geraakt en toen men tijding had gekregen van de Februari-revolutie te Parijs, werden er te München barricades opgeworpen en be stormde men het Arsenaal.

Tevergeefs zocht de Koning de rust te herstellen door Wrede te ontslaan; ten slotte willigde hij den eisch in, dat de stenden bijeen zouden komen en 6 Mrt. verscheen een pro clamatie, waarbij ministerieele verantwoordelijkheid, vrijheid van drukpers, verbetering der kieswet,leger hervorming en andere wenschen des volks werden ingewilligd, terwijl verschillende algemeen gehate re geeringspersonen ontslagen werden; toen nog meer dere eischen gesteld werden, gevoelde Lodewijk zich in zijn koninklijken trots gekrenkt; de geest van den nieuweren tijd was geheel in strijd met zijn op vatting van de koninklijke macht en waardigheid; onverwacht deed hij 20 Mrt. afstand. Hij werd op gevolgd door Maximiliaan II, 1848— 64. Het door dezen benoemde nieuwe ministerie bestond voor een deel uit populaire mannen, als Von Thon-Dittmer, Lerchenfeld, Heinz, von Beisler, Weishaupt en graaf Bray; 22 Mrt. kwamen de landsstenden bijeen; een deel der regeeringsvoorstellen werd dadelijk tot wet verheven (ministerieele verant woordelijkheid, vrijheid van drukpers, afschaffing der tienden, nieuwe kieswet, enz.). InAug. verspreid de zich het gerucht, dat de kroon de schatkist en hare roerende bezittingen buitenslands in veiligheid bracht, waarop opnieuw, 21 Aug., betoogingen door ’t volk gehouden werden, gevolgd door bloedi ge botsingen met de troepen. 1 Dec. traden de mi nisters Von Thon-Dittmer en Beisler af. 22 Jan. 1849 kwam de eerste uit de nieuwe kiesregeling voortge komen landdag bijeen; de troonrede bij die gelegen heid wekte algemeen misnoegen. Bij de verkiezing van den Pruisischen Koning Friedrich Wilhelm IV tot erfelijk keizer van Duitschland, 28 Mrt. 1849, richtte de Beiersche minister van buitenlandsche zaken Pfordten een nota aan de Duitsche regeering, inhoudende, dat de Beiersche regeering de onbe paalde geldigheid der rijksgrondwet niet erkende, de keizerkeuze afkeurde en tegen het streven naar een statenbond protesteerde. Hierop volgden proclama ties aan het Beiersche volk. De Palts geraakte in op stand en koos zich op 17 Mei een voorloopig bestuur, dat er echter niet in slaagde de gemoederen tot rust te brengen. Dezen opstand ten spijt bleef het ministe rie bij zijn program; de landdag weigerde dit pro gram te ondersteunen; men vorderde van den Ko ning, dat hij het ministerie zou ontslaan, wat niet geschied de; de regeering wendde zich tot Pruisen om hulp, om de opgestane provincie tot gehoorzaamheid te brengen; weldra was de geheele Palts door Prui sische troepen bezet en een militair bestuur ingesteld, dat met groote strengheid optrad. Tot het Drie koningenverbond van 26 Mei was B. niet toegetre den.

In Jan. 1850 maakte Pfordten een nieuw ont werp voor een bondsgrondwet bekend, waaraan Sak sen, Hanover en Württemberg hadden meegewerkt; ook achter dezen tegen Pruisen gerichten bond stond Oostenrijk weer. 27 Febr. 1850 werd het verdrag der vier Koningen onderteekend en daarmede een deeling van Duitschland in twee statenbonden voorbereid; 11 Oct. werd bij een samenkomst van de gekroonde hoofden en de leidende ministers van Oostenrijk, B. en Württemberg te Bregenz het verbond tegen Pruisen gesloten. Bij de nieuwe verkiezingen verlo ren de vrijzinnigen verscheidene zetels en de reactie vervolgde haar weg. 1 Juli 1853 trad B. toe tot de Duitsch-Oostenrijksche postvereeniging; de onderhandelingen over een tolverdrag met Oostenrijk leidden tot geen resultaat. In den in 1859 dreigen den oorlog tusschen Napoleon, Sardinië en Oosten rijk koos B. de zijde van Oostenrijk. 1860 werd de spoorlijn München—Weenen geopend. 10 Mrt. 1864 stierf de Koning.te midden van de verwikkelingen en onderhandelingen inzake de Sleeswijk-Holsteinsche vraagstukken. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Lodewijk II, 1864— 86.1866 was een ongelukkig jaar voor B. Nadat het in de Duitsche Bondsvergadering vruchteloos had geijverd tegen Pruisen’s annexatie plannen ten opzichte der Elbe-hertogdommen, koos het in 1866 de zijde van Oostenrijk tegen Pruisen. Deze stap kwam het land duur te staan; na de neder laag bij Königgratz lag B. voor de Pruisische troe pen open. De vrede kwam 22 Aug. 1866 tot stand; B. moest 30 millioen gulden oorlogskosten aan Prui sen betalen, een stuk land van 10 vierkante mijlen afstaan enz.; daarentegen sloot Pfordten nog een of en defensief verbond met Pruisen, volgens hetwelk in oorlogstijd de Beiersche troepen onder Pruisisch opperbevel zouden staan; dit verbond werd eerst in Maart 1867 bekendgemaakt. Kort na den vrede kwam de Landdag weer bijeen; reeds in zijn eerste zitting machtigde dit lichaam de regeering naar de eenheid van Duitschland te streven. Pfordten werd als minister van buitenlandsche zaken in 1866 opgevolgd door Von Hohenlohe-Schillingsfürst, een der eersten, die de vijandige politiek tegenover Pruisen liet varen. In de verwikkelingen, die aan den Fransch-Duit schen oorlog voorafgingen, liet B. de Fransche re geering weten, dat het niet voornemens was zich van het overige Duitschland af te scheiden. In den oorlog onderscheidden de Beieren zich bij Weiszenburg en Wörth, bij Bazeille en Sedan, voor Parijs en Orléans, enz.

Deze oorlog besliste ook over B.’s positie ten opzichte van den Noordduitschen Bond en reeds gedurende den oorlog werden de onderhandelingen begonnen; 23 Nov. trad het, tegelijk met Württem berg, toe tot den Duitschen Bond, echter behield het zich eigen diplomatie, vrije inrichting van leger, post wezen, enz. voor. De Rijksdag nam de toetreding op dezen grondslag 9 Dec. met 195 tegen 32 stemmen aan. Het herstel der keizerlijke waardigheid ging van B. uit. Reeds 30 Nov. 1870 richtte Lodewijk II van B. een schrijven aan alle Duitsche hoven en aan de senaten der drie vrije steden met de vraag, of er bezwaren tegen waren, dat aan den Koning van Pruisen de titel van Keizer verleend werd. Gelijktij dig liet hij door prins Luitpold aan dien Koning een schrijven aanbieden, waarin hij den wensch uitsprak een Duitsch rijk en de keizerlijke waardigheid her steld te zien. Dit alles had ernstige onderhandelingen tengevolge, die eindigden met de proclamatie tot Keizer van het Duitsche rijk van den Koning van Pruisen te Versailles, 18 Jan. 1871; B. liet zich bij deze plechtigheid vertegenwoordigen door de prinsen Otto, Luitpold en Leopold. 3 Maart 1871 hadden in B. de eerste verkiezingen voor den Rijks dag plaats; de klerikalen verkregen daarbij 18 stem men, de liberalen 30. In de eerstvolgende jaren hield vooral de kerkelijke strijd B. bezig. De rijksdagver kiezingen van 1877 leverden den klerikalen 31, den liberalen 17 stemmen op. 20 Juli 1879 werd te Mün chen een internationale kunst-tentoonstelling geo pend.

Bij de rijksdagverkiezingen van Oct. 1881 verkregen de klerikalen 34, de nationaal-liberalen 9, de Duitsch-vrijzinnigen 3, de sociaal-demokraten 2 zetels. Intusschen vestigde de levenswijze van den Koning meer en meer de meening, dat diens geest vermogens gekrenkt waren; 4 Juni 1886 kreeg Von Gudden, kranzinnigen-arts, in opdracht den vorst te Hohenschwangau gade te slaan; het resultaat van dezen maatregel was een verklaring van genoemden geneesheer, dat de vorst in hoogen graad krankzinnig was; 7 Juni besloot de ministerraad den naasten bloedverwant van vaderszijde, prins Luitpold, daar Otto, broeder van Lodewijk II, sinds 1876 eveneens krankzinnig was en op het slot Fürstenried ver pleegd werd, het regentschap op te dragen. 12 Juni, ’s morgens tegen 4 uur, vertrok de Koning naar het slot Berg aan het Stambergermeer en maakte op Pinksterzondag, 13 Juni 1886, door verdrinking een einde aan zijn leven; Von Gudden, die hem vergezeld had en hem nasprong, verdronk eveneens. De krank zinnige broeder des overledenen, Otto, werd nu als Otto I tot koning uitgeroepen en onder regentschap van bovengenoemden prins Luitpold gesteld; 28 Juni legde de regent de eed op de grondwet af. Bij de verkiezingen voor den Rijksdag van 1890 werden 33 centrumsmannen, 9 nationaal-liberalen, 3 sociaal demokraten, 2 Duitsch-vrijzinnigen en 1 conserva tief gekozen. Herhaalde pogingen, om de koninklijke waardigheid van den ongeneeslijk krankzinnigen Koning Otto op den prins-regent over te dragen, le den schipbreuk op de bepalingen der erfopvolging van de Beiersche grondwet.

Luitpold stierf 12 Dec. 1912 te München op 91-jarigen leeftijd; zijn zoon Lodewijk (III), geb. 7 Jan. 1846, volgde eerst zijn vader als regent op, maar werd 6 Nov. 1913 tot Koning uitgeroepen, nadat de grondwet gewijzigd was. Hij is 20 Febr. 1868 gehuwd met Maria There sia van Oostenrijk-Este, uit welk huwelijk negen kinderen nog in leven zijn. Kroonprins is nu (1916) Rupprecht, geb. 18 Mei 1869 te München, 10 Juli 1900 gehuwd met Marie Gabriele, hertogin in Beie ren (overl. 24 Oct. 1912), uit welk huwelijk twee kin deren geboren werden, Luitpold, geb. 1901, overL 1914, en Albrecht, geb. 1905. Koning Otto I over leed 11 Oct. 1916.

Lijst der voornaamste vorsten van Beieren.

Agilolfingers: begin 6de eeuw—788. Garibald I ± 660—±690; Tassilo I ± 690—± 6)9; Garibald II ± 620; Theodo I —± 680; Theodo II ± 690 — ± 717; Theodebert-Grimoald-Tassilo II; Hugbert ± 736; Utdo ± 737—± 748; Tassilo III ± 748— 788. — Karolingers, 788—911. — Luitpoldingers: 911—946. Arnulf 911— 937; Otto (de Groote) 937; Berchtold 938—946. — Saksers: Hendrik I 947 —966; Hendrik II (de Twistzieke) 966—976, 986—996. — Hendrik V v. Luxemburg 1004—1026. — Saliers: Hendrik VI 1027—1042. — Lotharingers: Hendrik VII 1042-1047; Koenraad 1047-1063. Otto v. Nordheim 1061—1069. — Welf en: 1069— 1180. Welf I 1069-1101; Welf II 1101-1120; Hendrik IX 1120-1126; Hendrik X 1126-1138; Hendrik de Leeuw 1156—1180. — Babenber gers: Leopold 1138—1141; Hendrik XI 1143— 1166. — Wittelsbachers: Otto I 1180— 1183; Lodewijk I 1183-1231; Otto II 1231 1263; Lodewijk II 1263—1294; Lodewijk IV 1300-1347; Lodewijk (de Oude) 1347-1361; Johan II 1376—1397; Ernst 1397—1438; Albrecht III 1438—1460; Johan IV 1460—1463; Sigismund 1463-1467; Albrecht IV 1467-1508; Wilhelm IV 1508-1550; Albrecht V 1550-1579; Wilhelm V 1579—1597. — Keurvorsten, sinds 1623. Maxi miliaan I 1697—1651; Ferdinand Maria 1651— 1679; Maximiliaan II 1679—1726; Karel Albert 1726—1745; Maximiliaan III Josef 1745—1777; Karel Theodoor v. d. Palts 1777—1799. — Palts Zweibrücken; Koningen, sinds 1806. Maxi miliaan I 1799—1825; Lodewijk I 1825—1848; Maximiliaan II 1848—1864; Lodewijk II 1864— 1886; Otto III 1886—1913 (krankzinnig; regent voor hem was van 1886—1912 zijn oom Luitpold); Lodewijk III 1913—heden.