Wat is de betekenis van Krank?

2023-10-02
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

krank

krank - Bijvoeglijk naamwoord 1. doodziek Een oude pastoor die had een koe, doch zij werd krank en ik weet niet hoe.

2023-10-02
Duits woordenboek (DU-NL)

Dr. H. W. J. Kroes (1951)

Krank

ziek; zeer; bist du krank?, (ook) ben je niet wijs?; der Arzt hat ihn krank geschrieben, de dokter heeft hem ziek verklaard; eine kranke Hand, een zere hand; krank schießen, aanschieten.

Direct toegang tot alle 9 resultaten over Krank?

Word nu vriend van Ensie
2023-10-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Krank

bn. (-er, -st), 1. (veroud., gew.) zwak, hetzij weinig weerstand kunnende bieden, of weinig kunnende verrichten; — (vand.) weinig betekenend, zwak, flauw: kranke troost; een kranke hoop ; mijn krank vermogen ; — kranke beurzen, kranke zinnen, geldgebrek dooft de levenslust; 2. (in hog. stijl) ziek, ongesteld...

2023-10-02
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

krank

I. bn.; 1. vero. of (Z.-N.) ziek, ongesteld: krank zijn naar lichaam en ziel; 2. zwak, gering, onbeduidend: dat is kranke troost; zegsw. kranke beurzen, kranke zinnen, geldgebrek dooft de levenslust; II. kranke, m. en v. -n; zieke.

2023-10-02
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

krank

bn. en bw. (-er, -st) [~ (ineen)krimpen] 1. zwak : van ouderdom; uw -e ziel heeft kracht gevonden. 2. weinig betekenend, gering, onbeduidend : naar mijn vermogen; een -e troost. 3. Verh. lijdend, ziek : uw kroost ligt -; zijn gemoed. → beurs. Syn. ongesteld, onwel, ziek. Tgst. gezond.

2023-10-02
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Krank

van den Germ. wt. kring, krink = zich krommen, dus gekromd als een doodelijk gewonde, waaruit de oorspr. bet. van zwak is te verklaren, en de latere van ziek. Vgl.: „Mijn gheluck es so crancc'— Kronkel is een verkleinw. van kronk (Vlaamsch) = kring; en van kronkel komt het w.w. kronkelen.

2023-10-02
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Krank

Krank bn. (-er, -st), ziek, ongesteld; doodelijk krank; tot stervens toe krank; (fig.) zwak, dun; flauw: kranke troost; eene kranke hoop; — kranke beurzen, kranke zinnen, geldgebrek dooft den levenslust.

2023-10-02
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Krank

zie Ziek.

2023-10-02
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Krank

Krank, bn. (-er, -st), ziek, ongesteld; (fig.) zwak, dun, flaauw. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), ziekelijk. *-BED, o. ziekbed. *-E, m. en v. (-n), zieke, lijder, lijderes. *-ENBEWAARDER, m. *-ENBEWAARSTER, v., *-ENBEZORGER, m., *-ENBEZORGSTER, v. (-s), ziekenoppasser, -oppasster; waker, waakster; pleegzuster. *-ENBEZOEKER, m. (-s), ziekentrooster...