Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 17-01-2019

Asch (vulkanische-)

betekenis & definitie

Asch (vulkanische-) - de fijnste deeltjes, die een vulkaan kan uitstooten; bevat de kleine kristallen, die op het oogenblik der uitstooting reeds gevormd waren; het gedeelte der gloeiend vloeibare massa, dat nog niet gekristalliseerd was, wordt verstoven en stolt plotseling zonder tijd te hebben tot kristallisatie, in glasvormigen toestand; druppeltjes glas zien wij om die reden dikwijls gehecht aan de kleine kristallen, die reeds gevormd waren, vooral augiet. Afhankelijk van hun zwaarte en van de hoogte, tot waarop zij werden uitgestooten, vallen de deeltjes op grooter of kleiner afstand van den vulkaan neer: aschregen; de allerfijnste deeltjes, die hoog werden opgeblazen, blijven zeer lang zwevende; asch-bestanddeelen treft men aan in alle diepzeeafzettingen en moeten toch afkomstig zijn van een vulkaan op het vasteland. Asch van een uitbarsting op Ijsland van Maart 1875 werden door den wind vervoerd tot Stockholm op 1900 K.M. afstand; de asch van de Krakatau-eruptie van 1883 verspreidde zich over een oppervlakte van 800.000 K.M2 en haar aanwezigheid in de bovenste lagen van de atmosfeer wordt aangezien als de oorzaak van de eigenaardige lichtverschijnselen, die in den winter 1883—1884 over de geheele aarde werden waargenomen. Lichtende nachtwolken, waarvan de hoogte bepaald kan worden op 80 K.M., bleven nog vele jaren zichtbaar.

De uitbarsting van de Mt. Pelée op 8 Mei 1902 heeft zóóveel asch geleverd en deze bleef zóó lang zwevende, dat tot in ons land toe een periode van mindere zonbestraling als gevolg van de troebele atmosfeer geregistreerd werd. Eenmaal neergevallen in zee, in meren of op het droge begint de asch zich te binden en wordt tuf.

< >