Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Hoogte

betekenis & definitie

Hoogte - (meetkunde), 1) van een driehoek: lengte der loodlijn uit den top op de basis neergelaten;

2) van een rechthoek: lengte der zijde loodrecht op de basis;
3) van een trapezium: afstand der evenwijdige zijden;
4) van een viervlak: lengte der loodlijn uit den top op ’t grondvlak neergelaten;
5) van een pyramide: idem;
6) van een kegel: idem;
7) van een prisma: afstand van grond- en bovenvlak;
8) van een cylinder: idem;
9) van een prismoïde: idem;
10) van een bolschijf: lengte van de loodlijn uit het middelpunt van ’t grondvlak opgericht, gemeten tot haar snijpunt met het bovenvlak;
11) van een bolsegment: idem tot snijpunt met boloppervlak;
12) van een boldriehoek: grootcirkelboog die door den top gaat en de basis loodrecht snijdt.

(algebra), hoogte van een algebraïsche vergelijking: Nadat men in een algebraïsche vergelijking door vermenigvuldiging alle coëfficiënten geheel gemaakt heeft, telt men hun absolute waarden op; vermeerdert men deze som met den graad van de vergelijking en vermindert men de aldus verkregen som met 1, dan krijgt men de hoogte der vergelijking. Bijv.

x3 — 7/2 x2 1/4= 0 wordt 4 x3—14 x2—1 = 0; de hoogte is 4+14 + 1 + 3 — 1 = 21.

(Sterrekunde), 1) de vertikale afstand boven de oppervlakte der zee, of boven A. Peil. Zie HOOGTEMETING.

2) de boogsafstand van een hemellichaam tot den horizon, gemeten langs de vertikaal. De h. is dus het complement van den zenithsafstand. Bevindt zich een hemellicht onder den horizon, dan is de h. negatief, de zenithsafstand grooter dan 90’. De hoogte neemt ten Oosten van den meridiaan toe; zij bereikt haar grootste waarde in den meridiaan (culminatiepunt) en neemt daarna weer af. Daar het Zenith steeds ter beschikking van den waarnemer staat, is de hoogtemeting een der allereerste astronomische waarnemingen.

Zoo goed als alle absolute metingen berusten op het waarnemen van zenithsafstanden en doorgangen. De h. wordt bepaald o. a. met het Sextant, het Universaal-instrument, den Theodoliet en den Meridiaancirkel. De h. in den meridiaan dient speciaal voor de breedtebepaling, de h. in de eerste vertikaal voor tijdsbepaling. De h. der Pool is de geografische breedte der plaats van waarneming. Zie SFEER.