Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Aflossing

betekenis & definitie

Aflossing - 1) afbetaling van schuld, in het bijzonder van leenschuld. — De schuldeischer behoeft in het algemeen met aflossing eener schuld bij gedeelten geen genoegen te nemen (art. 1426 B.W.) (zie AFBETALEN). — Is een bepaalde tijd vastgesteld, dan zegt art. 1306 B.W., dat de tijdsbepaling altijd wordt verondersteld te zijn ten voordeele van den schuldenaar, ten ware uit den aard der verbintenis zelve, of uit de omstandigheden, mocht blijken, dat zij ten voordeele van den schuldeischer is geschied.

Bij de uitgifte van obligatieleeningen wordt veelal omtrent het tijdstip van aflossing overeengekomen, hoewel het ook voorkomt, dat de uitgever geenerlei aflossingsverplichtingen op zich neemt. (Zoo verplicht de Nederl. staat zich bij zijne leeningen wel tot amortisatie, maar niet tot aflossing, zoodat hij ook door inkoop kan amortiseeren). De aflossing der geheele leening kan op een bepaald tijdstip zijn gesteld (zoo veelal met Amer. obligaties) of er kan zijn bepaald, dat ieder jaar voor een bepaald, in een plan van aflossing vastgesteld, bedrag moet worden afgelost. In het laatste geval kan ook het annuïteitenstelsel zijn gekozen. — De uitgever eener leening bedingt veelal het recht van vervroegde aflossing, hetzij ineens, hetzij in sneller tempo dan het plan van afl. aangeeft. Zonder dit beding is het twijfelachtig, of hij, zelfs met een beroep op art. 1306 B.W. (zie boven), daartoe bevoegd is. Zie ook CONVERSIE. — Daartegenover wordt in het belang van den belegger (n.l. als de bedongen rente hoog is) dikwijls de bepaling opgenomen, dat vervroegde afl. niet mag plaats hebben vóór een bepaald jaar of slechts tegen een koers boven pari. — Bij aflossing bij gedeelten worden de obligaties, die telkens daarvoor in aanmerking komen, veelal door het lot aangewezen. — Aflosbaar gestelde stukken dragen meestal geen rente meer, ook als zij niet worden ingeleverd, hetgeen licht kan voorkomen, doordat de uitloting aan den houder is ontgaan; bij sommige obligatiën wordt nog wel rente betaald, maar deze bij latere inlevering van het stuk van de aflossingssom afgetrokken (zoo bij vele Russ. effecten). Een enkele maal wordt overeengekomen, dat de niet ingeleverde aflosbare stukken toch rente, zij het ook eene lagere, zullen dragen. — Indien niets omtrent aflossing eener leenschuld is overeengekomen, heeft de uitleener het recht, wanneer hij dat wenscht, aflossing te eischen. De rechter kan echter volgens art. 1797 B. W. voor de afl. eenig uitstel geven. — Zie voor gevestigde altijddurende renten, waarbij aflosbaarheid nimmer voor goed mag zijn uitgesloten, artt. 1808-1810 B.W. en voor de (nimmer aflosbare) lijfrenten artt. 1819-1821 B.W.

2) (krijgsk.), het vervangen van de te velde of in het garnizoen met den voorposten- of wachtdienst belaste afdeelingen, wachten en posten door andere. De a. geschiedt met regelmatige tusschenpoozen — welke kleiner zijn naarmate de af te lossen afdeeling kleiner is — omdat de wachtdienst, vooral te velde, zeer inspannend en vermoeiend is.