Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 15-06-2020

zwembad

betekenis & definitie

o. (-en), bassin, inrichting om te zwemmen of zwemmen te leren.

(e) Zwembaden worden onderverdeeld in natuurbaden (zee, plassen enz.) en kunstmatige baden. Zij worden onderscheiden

1. naar hun bouwwijze: openluchtbaden, overdekte baden en een combinatie van deze typen: combinatiebaden; 2. hun voornamelijk gebruik: recreatiebaden, sportbaden en instructiebaden.

Voor de sportbeoefening zijn bassinlengtes van 25 m, 33→ m of 50 m (zwemstadions) en breedtes van 10 m, 16 m of 21 m (waterpolo) vereist. Recreatieen instructiebaden zijn ondiep (40-80 cm), terwijl voor sportbeoefening dieptes van 1,10 m (wedstrijdzwemmen), 1,80 m (waterpolo) tot 5,00 m (schoonspringen) nodig zijn. Door aanleg van een beweegbare bassinbodem kan aan verschillende diepteëisen worden beantwoord.

In overdekte baden wordt de watertemperatuur op 24—26 °C gebracht en de luchttemperatuur ca. 2 °C daarboven, de nagalmtijd dient beperkt te zijn tot 1—2 s, terwijl voor afvoer van vocht en geuren de lucht wordt ververst: 1—2 keer per uur in de zwemzaal, 5—10 keer per uur bij douches en kleedcabines. De kwaliteit van het zwemwater dient regelmatig gecontroleerd te worden, vooral op aanwezigheid van ziektekiemen.

In recirculatiebaden wordt het water onttrokken aan het bassin gevoerd naar de waterbehandelingsinstaliatie, gezuiverd van door de natuur (openluchtbad) en zwemmer ingebrachte verontreinigingen, voorzien van desinfectiemiddel en weer in het bassin gepompt (2 m3 zwemmer). Dagelijks wordt een zekere hoeveelheid water gespuid en ververst (0,03 m3 bezoeker).

De verontreinigingen bestaan uit: relatief grove bestanddelen (haren, papier, blaren, gras), colloïdale stoffen: vetten (huidsmeer, cosmetica) en eiwitten (huid bestanddelen); opgeloste verontreinigingen (ureum via urine, organische stoffen) en zeer vele →kiemen van het huidoppervlak en uit neusen keelholte (waarbij ziekteverwekkers). Een zwemmer geeft gemiddeld 0,5 g organische stof, 1 g stikstof (in ureum en eiwitten) en 2 mrd. kiemen af. Het zuiveren van het water gebeurt in fasen. Grove bestanddelen worden tegengehouden met een zeef (haarvanger). Daarna worden gesuspendeerde en ten dele ook colloïdale stoffen afgefiltreerd en zeer kleine colloïdale deeltjes met een chemisch middel uitgevlokt. Voor de oxidatie van opgeloste anorganische verontreinigingen, het doden van kiemen en het inactiveren van virussen wordt een ‘desinfectiemiddel’ gedoseerd, nl. chloorbleekloog (in Nederland) of een combinatie van chloor en chlooroxide, ozon en chloor.

Door b.v. te veel vuilinbreng in het water door te veel zwemmers per uur, of onvoldoende waterverversing, kan het vrije chloor verbindingen met organische stoffen en ammoniak vormen, waarvan sommige het ‘chloorluchtje’ veroorzaken. De zuurgraad (pH) van het water, die verandert door de toevoeging van de verschillende stoffen, moet binnen zekere grenzen gehouden worden, eventueel door toevoeging van zuur of loog.