Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 24-06-2020

omtrek

betekenis & definitie

m. (-ken),

1. de hoofdlijn die de grenzen van een figuur uitmaakt en er de vorm van de gedaante van bepaalt: zuiver, schoon, fraai van —; in schetsen, tekenen, alleen in hoofdlijnen, zonder schaduw aan te brengen; (fig.) vluchtige schets in woord of schrift: ik gaf je in deze schets de ruwe van het laatste bedrijf van het treurspel;
2. (meetkunde) gesloten lijn die de begrenzing van een figuur vormt; ook de lengte van die lijn: de van een veelhoek; de omtrekken van cirkels staan tot elkaar in dezelfde verhouding als hun stralen;
3. (coll.) de hoofdlijnen of (met mv.) elk van de hoofdlijnen die de grenzen van een ruimte of van een voorwerp uitmaken: de (ken) van de gevels tekende(n) zich scherp af tegen de heldere hemel; ook wanneer niet aan de lijn, maar aan de rand van het bedoelde voorwerp gedacht wordt: over de van de schijf loopt een groef;
4. ruimte in betrekking tot de plaats of het voorwerp, die als middelpunt gedacht worden, nabijheid, buurt: in de van de kermis; (m.n. coll.) landstreek, die een plaats omgeeft, het omliggende land, de omstreek: hier in de ken ik iedereen; personen uit de -, in de omstreek woonachtig.