Wat is de betekenis van omtrek?

2019
2021-01-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

omtrek

omtrek - Zelfstandignaamwoord 1. (wiskunde) de lengte van een gesloten kromme De omtrek van een cirkel bedraagt 2π maal de straal. 2. grenslijn. 3. omvang van een lichaam 4. het gebied rondom een bepaalde plaats Dat is in de wijde omtrek niet te vinden....

Lees verder
2018
2021-01-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

omtrek

omtrek - zelfstandig naamwoord uitspraak: om-trek 1. gebied om iets heen ♢ in de wijde omtrek zie je geen huis 2. buitenste lijn ♢ hij tekent de omtrek van een paard ...

Lees verder
2017
2021-01-19
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

omtrek

De omtrek is de totale lengte van de buitenste rand van een figuur of plat vlak. Het is een begrip dat hoort bij het domein 'Meten en meetkunde'.

1990
2021-01-19
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

omtrek

omtrek - Lijn die een cirkelvormig plat vlak begrensd; de lengte van deze lijn is gelijk aan pi maal de diameter.

1973
2021-01-19
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

omtrek

m. (-ken), 1. de hoofdlijn die de grenzen van een figuur uitmaakt en er de vorm van de gedaante van bepaalt: zuiver, schoon, fraai van —; in schetsen, tekenen, alleen in hoofdlijnen, zonder schaduw aan te brengen; (fig.) vluchtige schets in woord of schrift: ik gaf je in deze schets de ruwe van het laatste bedrijf van het treurspel; 2. (meet...

Lees verder
1950
2021-01-19
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Omtrek

m. (-ken), omtrekje, (-s), 1. de hoofdlijn die de grenzen van een figuur uitmaakt en er de vorm en de gedaante van bepaalt: zuiver, schoon, fraai van omtrek; hoe weelderig waren haar vormen, hoe zuiver de omtrekken van haar gelaat en de lijnen van haar gestalte; in omtrek schetsen, tekenen, alleen in hoofdlijnen, zonder schaduw aan te...

Lees verder
1916
2021-01-19
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Omtrek

Omtrek - van een figuur: rechtlijnige of kromlijnige figuur, waarbinnen een bepaalde figuur is besloten; bijv. de omtrek van een driehoek, de o. van een cirkel. De schijnbare omtrek van een oppervlak (lichaam) is de lijn, die voor ’t oog het oppervlak (lichaam) schijnt te begrenzen ; het is het geheel van de punten, volgens welke de raaklijnen, die...

Lees verder
1898
2021-01-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Omtrek

Omtrek m. (-ken), de hoofdlijnen die de grenzen van eene figuur uitmaken en er den vorm en de gedaante van bepalen: zuiver, schoon, fraai van omtrek, een zuiveren enz. vorm hebbende; hoe weelderig waren hare vormen; hoe zuiver de omtrekken van haar gelaat en de lijnen van hare gestalte; in omtrek schetsen, teekenen, alleen in hoofdlijnen, zonder sc...

Lees verder
1898
2021-01-19
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Omtrek

zie Cirkel.