Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 15-06-2020

zuiver

betekenis & definitie

bn. enbw. (-der, -st),

1. onvermengd, helder, klaar: — water; een zuivere lucht, zonder besmetting; — bloed, zonder smetstof;
2. onvermengd, puur: die ring is van — goud; zuivere wol, linnen; (zegsw.) dat is daar geen zuivere koffie, niet zoals het moest zijn; dat is de zuivere waarheid; — wetenschappelijk onderzoek;
3. rein, zindelijk, schoon: een — glas;
4. moreel onbezwaard: hij heeft een geweten, hij voelt zich (daaraan) niet schuldig; uit zuivere bedoelingen, zonder bijbedoelingen; oprecht: een zuivere verhouding; dat is zuivere taal, nu weet men waaraan men zich moet houden;
5. enkel, alleen: dit is — de reden;
6. onvervalst, geheel zoals het behoort: de zuivere leer; hij is niet — in de leer, niet orthodox; zonder fouten of afwijkingen van wat als norm geldt: een zuivere uitspraak; juist op toonhoogte: — zingen;
7. netto, na aftrek van alle onkosten: het — inkomen.