(deed goed, heeft goedgedaan), onoverg.,
1. weldoen, goede daden doen: wie goeddoet, goed ontmoet; (met 3e nv.) goed zijn voor iemand: ik heb hem van jongsaf goedgedaan;
2. baten, van nut zijn: de Gelderse lucht zal hem —;
3. verlichting geven, aangenaam aandoen: dat woord van bemoediging heeft haar goedgedaan.