Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 29-06-2020

fabriek

betekenis & definitie

Lat. faber, handwerksman], v. (-en),

1. inrichting om op uitgebreide schaal produkten uit grondstoffen te winnen; een — van elektrische apparaten;
2. het gebouw van zo’n inrichting;
3. de arbeiders, het personeel van een fabriek;
4. (gemeenz.) fabricatie, maaksel: dat is een vertelling van eigen —, die heeft hij zelf verzonnen.

De fabriek is een bedrijfsvorm waarbij de werknemers in één bedrijfsinrichting zijn samengebracht, terwijl de arbeid wordt verricht met behulp van machines. M.n. de industriële revolutie, beginnend in de textielindustrie (1750—1800), heeft geleidelijk in tal van takken van nijverheid de ambachtelijke produktie doen vervangen door de machinale. Van betekenis daarbij was de uitvinding van de stoommachine (1776), die een concentratie van de voortbrenging sterk in de hand werkte. Door toenemende mechanisatie en specialisatie geschiedt de produktie volautomatisch, zodat de menselijke arbeid tot een controlefunctie is teruggebracht. Deze automatisering van het produktieproces heeft in belangrijke mate bijgedragen tot een vergroting van de materiële welvaart. In het arbeidsproces heeft het de specialisatie in leidinggevende en uitvoerende arbeid scherp in de hand gewerkt.