Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

gebouw

betekenis & definitie

o. (-en),

1. het telkens of voortdurend bouwen: het is hier een hele drukte met al dat —;
2. wat gebouwd is, bouwwerk van tamelijke of aanzienlijke grootte en in het algemeen vervaardigd van duurzaam materiaal: de gebouwen van een stad; een ruim —; een militair —, een voor militaire doeleinden bestemd gebouw;
3. (fig.) van onstoffelijke zaken (instellingen, stelsels, beweringen, meningen, ondernemingen, plannen, verwachtingen) kunstmatig samenstel: het — van de godsdienst; op de fundamenten steunt het ganse —, elk werk behoort op deugdelijke grondslagen te rusten; zoals de grondslagen zijn, is het gehele —, van de aard van de grondslagen hangt de deugdelijkheid van elk werk of elke onderneming af.