Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 29-06-2020

2020-06-29

doen

betekenis & definitie

(deed, heeft gedaan),

I. overg., het meest algemene ww. om een persoon of zaak voor te stellen als iets (dat al of niet nader genoemd wordt, resp. uit het verband blijkt) verrichtend.
1. de op de voorgrond tredende oorzaak van een werking zijn, een werking verrichten (synoniemen: handelen, uitvoeren, verrichten, maken, bewerken; tegenstellingen: ondergaan, laten; denken, willen, praten, zeggen): wat doe je daar?; bij al wat hij doet, denkt hij daaraan; zeggen en — zijn twee, een belofte (bedreiging enz.) wordt niet altijd vervuld: zo gezegd, zo gedaan; niets — dan, zich uitsluitend bezighouden met: zij deed niets dan praten; als hervatting van een voorafgaand ww.: drinken doet hij niet; met nadruk: hij doet het erom, hij doet het opzettelijk; al doende leert men, door het verrichten zelf van werkzaamheden leert men hoe het moet; (gew.) zich laten -, met zich laten sollen; verbonden met een substantief dat uitdrukt wat door de handeling ontstaat of voltooid wordt: een gebed —, bidden; een vraag —, vragen; boete, een eed, een greep, een goed huwelijk, een gelofte, een moord, een zonde, een poging — enz.; iemand bescheid —, iemand antwoord geven; zijn gevoeg aan een natuurlijke behoefte voldoen; (euf., gemeenz.) wat —, ontlasting hebben; moet je wat — ?, moet je naar het toilet?; ook euf. voor lijfsgemeenschap hebben; zaken —, handel drijven; goede zaken —, winst behalen; abs. met wie doet hij ?, handelt hij; ik heb deze week nogal wat gedaan, vrij belangrijke transacties afgesloten; een winkel —, winkelier zijn; zijn plicht —, doen wat de plicht eist; zijn wil -, doen wat men wil; met een vn. of telw. dat de verrichte werking aanduidt: Jan heeft het gedaan; iets, niets, veel, alles —; het zijne -, wat men behoort te doen; ik heb veel te -, veel bezigheden; die zaak heeft veel te —, er gaat veel om; (gew.) dat doet niets, dat geeft niets; (pregn.) wat heeft dat kind gedaan?, misdreven; hij heeft het altijd gedaan, hij moet het altijd ontgelden, krijgt de schuld van alles; (gemeenz.) het —, de gewenste werking verrichten, b.v. van een kachel die gaat branden: hij doet het, zal het niet —; de bal doet het; ook: de gewenste of een bepaalde uitwerking hebben: dat detail doet het hem; die plaat doet het daar goed; ik doe het ermee, ik kom ermee rond, bestrijd er mijn uitgaven mee; hij kan het wel —, wel betalen; in vragen naar een gesteldheid: wat doet het buiten ?; er is wat te —, er valt iets voor, er is een feestje, een standje; in die stad is veel te —, veel drukte, vertier; over die zaak is heel wat te — geweest, ze heeft veel sensatie en drukte veroorzaakt; dat is nog eens te —, dat geeft niet veel moeite; (ook) dat kost niet veel; (gew.) dat doet dat je het op geeft, dat betekent dat je het opgeeft; ik doe het, neem het voorstel aan; dat doe ik met je, daar wil ik om wedden;
2. (met een plaatsbepaling) ergens plaatsen, steken, leggen, zetten, wegstoppen enz.: iets in zijn zak —; doe wat op de kachel; zout in het eten —; doe er een ei door; water in een emmer —; in de ban —, in de ban verklaren; een jongen op school —, hem laten schoolgaan; brengen: koeien in de wei —; een brief op de post, op de bus —; erbij —, eraan toevoegen;
3. veroorzaken, berokkenen, laten ondergaan of ondervinden, aandoen: iemand verdriet, pijn, genoegen —; iemand recht, onrecht —, laten wedervaren; het doet mij goed, het doet mij aangenaam aan, (ook) het versterkt mij, is mij nuttig; iemand iets cadeau, present —, iets schenken; (volkstaal) dat doet me lol, dat vind ik aardig, (ook) ik lach er wat om; dat heeft hem de dood gedaan; wees maar niet bang, hij zal je niets —, je geen kwaad doen; zijn eerzucht heeft het hem gedaan, heeft zijn ongeluk veroorzaakt; zich aan iets tegoed smullen (ookfig.); dat doet het hem juist, dat is juist de oorzaak, reden; (gew.) (een) teken -, (gall.) geven;
4. kosten, opbrengen: wat moet dat boek —?; wat doet dat huis van (aan) huur?, zulke grappen — opgeld, men heeft er succes mee;
5. de straat, de kamer, trap enz. -, schoonmaken, schrobben, boenen enz.; zijn haar doen, kammen, borstelen, opmaken;
6. dat doet er niet(s) toe, dat verandert de zaak niet, (ook) dat is voor het ogenblik van geen belang; het is niets gedaan met..., het staat er slecht mee voor; of: daar is niet veel aan, niet veel mee te beginnen, van te verwachten; (gew.) heb je gedaan?, ben je klaar?; (gew.) de zomer is gedaan, voorbij, afgelopen; (gew.) de school is gedaan, uit; ik kan er niets aan -, ik kan het niet verhelpen, verhinderen; met iemand te — hebben, een zaak, strijd, twist met iemand hebben; (ook) medelijden met iemand hebben; dan krijg je met mij te —, dan krijgen wij ruzie; ik heb heel wat met hem te —, te stellen, ik heb moeite met hem; het is hem te — om rijk te worden, dat is zijn doel; het is om je geld te —, je moet opdokken;
7. in de toestand brengen die door de bep. wordt aangeduid: tenietdoen, vernietigen;

II. onoverg., handelen, tewerkgaan:

1. doe niet zo wild; hij deed zo raar, zo vreemd, handelde, gedroeg zich zo; lief —, vleien om iemand tot iets over te halen; hoe moet ik —, als hij komt?, hoe mij gedragen; dat is geen —, geen manier van —, geen behoorlijke manier van handelen; dat is geen — wordt ook gebruikt voor: dat is niet te doen; (volkstaal) je doet maar, ga je gang maar, geneer je maar niet (meestal ironisch); hij doet (als)of hij hier baas is, uit wat hij doet, zou men dat opmaken, hij gedraagt zich zo; ik deed maar of ik het niet hoorde, nam de schijn aan; hij doet maar zo, neemt de schijn maar aan, meent het niet; (spr.) doe wel en zie niet om; heb ik daar kwaad aan gedaan?, was dat slecht gehandeld, (ook) was dat niet voordelig?; je zult wijs, verstandig, goed —, met nog bijtijds terug te treden; zijn best —;
2. ergens zekere tijd over —, er zo lang mee bezig zijn, voor nodig hebben; aan iets —, zich ermee bezighouden, er werk van maken: hij doet veel aan tekenen; aan postzegels -, er liefhebberij in hebben, ze verzamelen;
3. in brandstoffen —, erin handelen;

III. vroeger (tot in de 17e eeuw) ook als hulpww. van de onbep. wijs: daer na so doet verlangen mijn vorstelick ghemoet (Wilhelmus); tegenwoordig nog met voorafgaande infinitief: begrijpen doet hij er niets van; eten — we alle dagen; als oorzakelijk hulpww.: ik doe opmerken dat enz.; een steen deed hem struikelen; — te weten; als plaatsvervanger van een vroeger genoemd of reeds bekend ww.: hij zingt beter dan hij vroeger deed; liegen dat hij doet!; iv. in zelfst. gebruik (o.): het gaat in één — door, het is één moeite; iemands — en laten, zijn handel en wandel, zijn levenswijze; hij is daar (het) — en laten, hij heeft er alles te zeggen; iets van — hebben (ook aaneengeschreven), nodig hebben; ergens mee van — hebben, mee te maken hebben; er is geen — aan, er is niets tegen te doen; (ook) men kan er niet mee klaar komen; in goeden — zijn, komen, welvaart genieten, geld hebben; het is het oude, gewone —, als altijd; uitzijn gewone — zijn, uit zijn gewone levenswijze (dagindeling enz.); voor hún —, in verhouding tot hun vermogen, tot wat men van hen gewoon is.