Wat is de betekenis van Doen?

2022
2022-09-29
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

doen

1) (1983) (vnl. Haags, inf.) geven: 'Doe mij maar een bakkie.' • Of weet u wat? Doet u mij maar een pils! (Theo Van Den Boogaard & Wim T. Schippers: Sjef van Oekel zoekt het hogerop. 1983) • O ja, oké, doe maar een baco'tje, klinkt het verveeld. (Nieuwe Revu, 20/09/1995) • Doe mij nog een lekkere pils. (Robert...

Lees verder
2020
2022-09-29
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Doen

Zie Done

2019
2022-09-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

doen

doen - Zelfstandignaamwoord 1. het verrichten van een werk Tegenwoordig is niet het spreken belangrijk, maar het doen. doen - Werkwoord 1. (ov) een actie ondernemen Laten we wat anders doen. 2. (auxl) maakt van een ergatief werkw...

Lees verder
2018
2022-09-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

doen

doen - onregelmatig werkwoord 1. eraan werken, het uitvoeren ♢ wie doet de vaat vanavond? 1. iets van hem gedaan krijgen [ervoor zorgen dat hij het doet] 2. zo gezegd zo gedaan...

Lees verder
2015
2022-09-29
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

doen

laten Iemand die op tien maanden tijd zijn omzet met zestig procent heeft doen stijgen, die moet zijn prijzen van buiten kennen. (Tom Lanoye, Alles moet weg) ik zag mannen, gekleed en opgemaakt als courtisanes aan lagerwal, die verliefd aan de armen van andere mannen voortsjouwden, soms struikend over hun overvloedige rokken, terw...

Lees verder
2014
2022-09-29
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

doen

in: het doet, het is goed, het is te gek: Straattaal.

2004
2022-09-29
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

doen

(1) kan soms de betekenis ‘urineren, plassen”’ hebben, bijvoorbeeld in de verbinding ‘het in zijn bed doen’. Voornamelijk gezegd van kinderen of bejaarden. Het woord ‘doen’ is zo vaag dat het om het even wat kan betekenen. In kringen van de Nederlandse adel prefereert men volgens Agnies Pauw van Wieldrecht (‘Het dialect van de adel’. 1985) de uitdr...

Lees verder
2004
2022-09-29
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

doen

- overuren doen, overuren maken. Ze moeten soms overuren doen en velen hebben een gezin, zodat ze al eens niet naar de les kunnen komen. - HN, 19-03-2001. - een wandeling doen, een wandeling maken. - een eed doen, een eed afleggen. - zijn studies doen, studeren. - 160 km (per uur) doen, 160 km (per uur) rijden. -...

Lees verder
2000
2022-09-29
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Doen

Het ene doen en het andere niet (na)laten, van twee alternatieve acties beide uitvoeren, en niet een keus maken. Matteüs en Lucas doen verslag van Jezus’ kritische woorden tegenover de opstelling van de Farizeeën inzake de moraal. ‘Maar wee jullie Farizeeën, want jullie geven tienden van munt, wijnruit en andere kruiden, maar gaan voorbij aan de ge...

Lees verder
1998
2022-09-29
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Doen

zie ook doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. 1. het-, eufemisme voor ‘gemeenschap hebben’. Vgl. Engels to do it. 2. iets-, succes hebben (bijv. een boek of een film). Vnl. jeugdkringen. 3. je kunt het me -, een vooral door soldaten gebruikte uitdr. van afwijzing. Eigenlijk een nettere variant van meer vulgaire slanguitdr. als hij kan mijn klot...

Lees verder
1998
2022-09-29
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

doen

1. Verkorting van: een bod doen. Kan ook doubleren inhouden. In tegenstelling tot ‘niets doen’ (passen). 2. In de uitdrukking: ‘er eentje bij doen’ (het laatste bod van de partner met één verhogen). 3. Bijspelen. Door leider tegen de dummy gezegd. Bijvoorbeeld: ‘doe een kleintje’ of ‘doe de heer’.

Lees verder
1997
2022-09-29
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

doen

Wie de verwensing laatje maar wat doen! op zich in laat werken, zal haar wellicht in verband brengen met aandoen. Dat wordt wel erg moeilijk als aan diezelfde verwensing wordt toegevoegd in je nek! Mogelijk moeten wij de verwensing letterlijk opvatten in de zin van ‘krijg nekkramp’. De emotionele betekenis is &lsquo...

Lees verder
1973
2022-09-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Doen

(deed, heeft gedaan), I. overg., het meest algemene ww. om een persoon of zaak voor te stellen als iets (dat al of niet nader genoemd wordt, resp. uit het verband blijkt) verrichtend. 1. de op de voorgrond tredende oorzaak van een werking zijn, een werking verrichten (synoniemen: handelen, uitvoeren, verrichten, maken, bewerken; tegenstellingen: o...

Lees verder
1964
2022-09-29
voornamen

Voornamenboek

Doen

m -> Done (Fri.).

1952
2022-09-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Doen

1. v., dwaen, die, dien; ûtfiere, út ’e wei sette, forhakstûkje; niets tehebben, neat to forstriken hawwe; niets —, gjin finger yn 'e jiske stekke; te hebben, om hannen hawwe, om hans hawwe; het werk niet met zorg —, it wurk mar hwat oersljoc...

Lees verder
1950
2022-09-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Doen

(deed, heeft gedaan), I. overg.: het meest algemene ww. om een persoon of zaak als iets (dat al of niet nader genoemd wordt, resp. uit het verband blijkt) verrichtend voor te stellen. 1. de op de voorgrond tredende oorzaak ener werking zijn, een werking verrichten (syn.: handelen, uitvoeren, verrichten, maken, bewerken; tegenstellingen : ...

Lees verder
1937
2022-09-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

doen

1 onr. w.w., deed, h. gedaan (handelen; uitvoeren; verrichten, volbrengen; bewerken:) handel: ergens in -, handelen; zegsw. zo gezegd, zo gedaan, een uitgesproken voornemen wordt onmiddellijk uitgevoerd; iets gedaan krijgen, er in slagen; dat doet men niet, is ongepast; het er om -, met opzet -; je krijgt met hem te ruzie; 2 o., inz. in zegsw.: uw...

Lees verder
1930
2022-09-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

doen

A. (deed, deden; heeft gedaan) 1. verrichten : werk -; al -de leert men. Gez. dat doet men niet, dat is onkies, ongepast; eerst of voor gedaan en dan of na bedacht, heeft menigeen in leed gebracht, een overijld besluit heeft vaak nadelige gevolgen; er is geen aan, het is niet te doen; het er om -, het met opzet doen ; het hem -, de eigenlijke oorza...

Lees verder
1911
2022-09-29
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Doen

van den Skr. wt. dha: zetten, leggen, doen, scheppen (dhatr = schepper); vgl. daad en ons achtervoegsel: dom (= do + m) in wasdom, enz.

1898
2022-09-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Doen

Het begrip doen heeft 2 verschillende betekenissen: 1. doen - DOEN, (deed, deden, gedaan), de op den voorgrond tredende oorzaak eener werking zijn, eene werking verrichten (syn. handelen, uitvoeren, verrichten, maken, bewerken); (tegenstellingen) doen en ondergaan, doen en laten; doen en denken, willen, praten, zeggen; — (spr.) doen is een d...

Lees verder