Wat is de betekenis van boenen?

2019
2021-10-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

boenen

boenen - Werkwoord 1. met een boender en water schrobben. De tegels glansden nadat ze met zeepsop geboend waren. 2. in de was zetten en glanzend wrijven De buurman staat de hele dag zijn auto te boenen.

Lees verder
2018
2021-10-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

boenen

boenen - regelmatig werkwoord uitspraak: boe-nen 1. schoonmaken met een borstel ♢ ze boende de vloer met zeepsop Regelmatig werkwoord: boe-nen ik boen jij/u boent ...

Lees verder
2014
2021-10-26
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

boenen

(hard) werken: Die keirils ferdiende dèn twei haaitjes mit de kost. Moar op ’n seikere dag ferdomde se ’t nog langir doarfaur te motte boene en toe werd ’t stoake, SMIS1 120.

1973
2021-10-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Boenen

(boende, heeft geboend), 1. met was inwrijven en vervolgens met een zachte doek glad en glanzend wrijven van b.v. houten meubels, parketvloeren; 2. met water natmaken en daarna met een boender schrobben, schoonmaken: de gang boenen; 3. verdrijven, wegjagen: iemand van de kamer, uit een club boenen.

Lees verder
1952
2021-10-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Boenen

v., bjinne, binzgje.

1950
2021-10-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Boenen

(boende, heeft geboend), 1. met was inwrijven en vervolgens met een zachte doek glad en glanzig wrijven (inz. eikenhouten tafels, stoelen enz.). 2. met water natmaken en daarna met een boender schrobben: de gang, het houtwerk boenen; poetsen, schoonmaken. 3. verdrijven, wegjagen: iem. van de kamer, uit een club boenen. 4. (Zuidn.) vle...

Lees verder
1916
2021-10-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Boenen

Boenen - de behandeling van houtwerk, enz., met een oplossing van was. Tot het b. behoort het opbrengen der was-oplossing (inwrijven) en het glanzend borstelen of wrijven (uitwrijven). Zie BOENWAS.

1898
2021-10-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Boenen

BOENEN, (boende, heeft geboend), met was inwrijven en vervolgens met een zachten doek glad en glanzig wrijven (inz. eikenhouten tafels, stoelen, enz.); — met water natmaken en daarna met een boender schrobben de gang, het houtwerk boenen; poetsen, schoonmaken; — verdrijven, wegjagen iem. van de kamer, uit eene club boenen; — (Zu...

Lees verder