Reserveer nu mijn nieuwste boek

Basicranium betekenis & definitie

Schedelbasis; onderzijde van de schedel, samengesteld uit een aantal met elkaar vergroeide schedelbeenderen

Het basicranium (van onderen bekeken) heeft een groot aantal structuren en openingen. In het temporale (slaapbeen) liggen de gewrichtsvlakken voor de onderkaak; naast het foramen magnum (achterhoofdsgat) liggen de achterhoofdsknobbels (condyles occipitales), waarmee de schedel scharniert op de eerste wervel. Onder de achterhoofdsknobbels lopen het linker en rechter hypoglossaal kanaal. Aan de voorkant kijken we op de maxilla (bovenkaak) en het verhemelte. De positie van het foramen magnum, de doorsnede van het hypoglossaal kanaal en de dentale boog van de bovenkaak zijn belangrijke diagnostische kenmerken (zie de desbetreffende ensies).

Aan het achterhoofdsbeen (os occipitale) zijn de nekspieren bevestigd, over een vrij groot vlak dat knobbelig is. Men noemt dit het achterhoofdsvlak (“nuchal plane”). Aan de achterzijde wordt dit vlak begrensd door een richel (“nuchal ridge”), die bij sommige homininen erg geprononceerd is. Als die richel sterk uitsteekt zijn de nekspieren erg groot. In dat geval is meestal ook het tepelvormig uitsteeksel van het temporale vrij groot. Dit uitsteeksel (processus mastoideus) markeert de voorkant van de nekspieren, links en rechts. Al deze structuren (knobbels op het achterhoofdsvlak, achterhoofdsrichel en tepelvormig uitsteeksel) zijn seksueel dimorf, namelijk bij de man zwaarder ontwikkeld vanwege de zwaardere nekspieren.

Ook de hoek die het achterhoofdsvlak maakt met de rest van de schedel is diagnostisch voor de homininen; deze hoek is bij de mens klein (het vlak is breed en verloopt vrijwel horizontaal), maar bij bijvoorbeeld Sahelanthropus is de hoek vrij groot, wat een reden is voor sommige paleontologen om te twijfelen aan de homininen-status van Sahelanthropus.

Gepubliceerd op 16-06-2018