Maxilla betekenis & definitie

Bovenkaak van gewervelde dieren, één van de schedelbeenderen, die tanden en kiezen draagt en samenwerkt met de mandibula ten behoeve van het verwerken van voedsel; tweede kaakpoot van geleedpotige dieren

De maxilla is van onderen bezien een U-vormig bot, langgerekt bij vissen en reptielen tot parabolisch bij de mens, waarvan de onderrand de tanden en kiezen van het bovengebit bevat. Bij zoogdieren heeft de maxilla zowel links als rechts een plaatvormig zijdelings uitgroeisel. In het midden raken die platen elkaar. De onderkant ervan vormt het verhemelte (palatum). Bij een schisis (gespleten verhemelte) sluiten de twee platen niet goed op elkaar aan.

Doordat het verhemelte naar achteren toe is verlengd opent de neusholte achterin de mond. Deze situatie is kenmerkend voor de zoogdieren; bij reptielen opent de neusholte (die klein is) vóór in de mond. Het naar achteren doorgetrokken verhemelte tussen neus- en mondholte heet ook wel het secundaire monddak of secundaire schedeldak, dat onder het primaire monddak ligt (de schedelbasis). Door het secundaire monddak wordt de luchtweg niet geblokkeerd door voedsel in de mond, in tegenstelling tot de situatie bij reptielen.

De vorm van de maxilla volgt de dentale boog, de lijn door de achtereenvolgende tanden en kiezen, die bij de mens verkort is vergeleken met mensapen, vanwege het meer orthognaath geworden aangezicht.

Ook een van de koppoten van Arthropoda wordt maxilla genoemd. Bij insecten is dat de (gepaarde) tweede kaakpoot, vaak voorzien van tasters, die achter de mondopening staat en samen met de mandibels en het labrum voedsel verwerkt. Kreeftachtigen hebben veelal twee paar maxillen achter elkaar, plus nog drie paar maxillipeden (poten van de thorax die bij de kop getrokken zijn). Er is geen homologie met de maxilla van vertebraten.