Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

wind

betekenis & definitie

wind - zelfstandig naamwoord

1. stroming van lucht buitenshuis
♢ de fietser heeft de wind tegen
1. van de wind kun je niet leven
[je moet werken om aan de kost te komen]
2. het gaat hem voor de wind
[alles gaat voorspoedig]
3. met alle winden meewaaien
[met iedereen meepraten]
4. hij heeft de wind eronder
[ze doen wat hij zegt]
5. de wind van voren krijgen
[scherpe kritiek krijgen]
6. iets in de wind slaan
[er niet op letten]
7. wind en weder dienende
[als het goed weer is]
8. wie wind zaait, zal storm oogsten
[voor fouten word je vaak zwaar gestraft]
9. als de wind
[zeer snel]
10. er waait een frisse wind
[er is een nieuwe aanpak]
11. waait de wind uit díe hoek?
[zit het zo?]
12. weten uit wat voor hoek de wind waait
[waar de tegenwerking vandaan komt]
13. van de wind kun je niet leven
[er moet gewerkt worden voor de kost]
14. je kop in de wind gooien
[opstandig, tegendraads zijn]
15. de wind gaat liggen
[het houdt op met waaien]
16. de wind mee hebben
[in gunstige omstandigheden zijn]
17. zijn neus in de wind steken
[hooghartig, arrogant zijn]
18. de wind ruimt
[gaat door het noorden naar het westen]
19. een waarschuwing in de wind slaan
[er niets mee doen]
20. een uur in de wind stinken
[heel erg stinken]
21. hem de wind uit de zeilen nemen
[hem hinderen, gaan doen wat hij al wilde gaan doen]
22. zoals de wind waait, waait zijn jasje
[hij doet altijd waar hij het meeste voordeel van heeft]
2. darmgassen die ontsnappen
♢ hij liet plotseling een wind

Zelfstandig naamwoord: wind
de wind
de winden
het windje

Synoniemen
scheet