Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

water

betekenis & definitie

water - zelfstandig naamwoord
uitspraak: wa-ter

1. vloeistof waaruit zeeën en rivieren bestaan
♢ het menselijk lichaam bestaat voor 90 procent uit water
1. ze zijn als water en vuur
[kunnen elkaar niet uitstaan]
2. je moet wat water bij de wijn doen
[een beetje toegeven]
3. hij kwam weer boven water
[kwam weer opdagen]
4. het feest is in het water gevallen
[niet doorgegaan of mislukt]
5. het water loopt me in de mond
[het lijkt me erg lekker]
6. spijkers op laag water zoeken
[onbelangrijke kritiek leveren]
7. water naar de zee dragen
[iets geven aan iemand die er al veel van heeft]
2. rivier, beek of meer
♢ we stonden voor een diep water

Zelfstandig naamwoord: wa-ter
het water
de wateren
het watertje