Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

vasten

betekenis & definitie

vasten - regelmatig werkwoord
uitspraak: vas-ten

1. gedurende een bepaalde tijd geen of weinig eten gebruiken
♢ tijdens de Ramadan moet je overdag vasten

Regelmatig werkwoord: vas-ten
ik vast
jij/u vast
hij/zij vast
wij/zij/jullie vasten
ik/jij/u/hij/zij vastte
wij/zij/jullie vastten
hij heeft gevast
vastend, vastende