Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

tijd

betekenis & definitie

tijd - zelfstandig naamwoord

1. reeks van momenten
dat is een tijd geleden
1. de tijd vliegt
[hij gaat snel voorbij]
2. de tijd zal het leren
[later weten we het wel]
3. tijd is geld
[tijd is kostbaar]
4. ik heb daar geen tijd voor
[ik kan er geen momenten voor vrijmaken]
5. hij zit de hele tijd te gapen
[voortdurend, steeds]
6. de laatste tijd
[de periode die achter ons ligt]
7. we hebben geen tijd te verliezen
[we moeten opschieten]
8. vrije tijd
[waarin je niet hoeft te werken]
9. dat is uit de tijd
[ouderwets]
10. de tijd doden
[iets doen als je moet wachten]
11. hij is zijn tijd vooruit
[zijn ideeën worden pas later gewaardeerd]
12. het zal mijn tijd wel duren
[ik maak me er niet druk over]
13. hij heeft de tijd
[hoeft zich niet te haasten]
14. zijn tijd verdoen
[niets uitvoeren]
15. een sprong in de tijd maken
[een lange periode overslaan]
16. de tand des tijds
[de slijtage van alle dingen]
17. de tijd heelt alle wonden
[uiteindelijk kom je alle verdriet te boven]
2. punt of plaats in reeks van momenten
♢ gisteren om deze tijd regende het
1. het is tijd om te vertrekken
[we moeten vertrekken]
2. zij komt nooit op tijd
[ze is altijd te laat]
3. je moet op de tijd letten
[opletten of het moment er al is]
4. zij is over tijd
[niet ongesteld geworden, dus misschien zwanger]
5. te zijner tijd hoor ik daar graag iets over
[als het moment daar is]
6. zij is erg bij de tijd
[bijdehand, slim]
7. komt tijd, komt raad
[over een tijdje vind je vanzelf de oplossing]
8. als het mijn tijd is
[wanneer ik doodga]
9. heb je de tijd?
[weet je hoe laat het is?]
10. op tijd zijn natje en droogje krijgen
[niets tekort komen]
11. over tijd zijn
[de menstruatie is nog niet gekomen]
12. te allen tijde
[altijd]
13. van tijd tot tijd
[af en toe]
3. een bepaalde periode
♢ hij besteedt maar weinig tijd aan zijn studie
1. binnen afzienbare tijd
[spoedig]
2. in de baas zijn tijd
[onder werktijd]
3. iemands tijd in beslag nemen
[zijn aandacht opeisen]
4. dat heeft de tijd
[daar kunnen we nog wel even mee wachten]
5. het zal mijn tijd wel duren
[ik maak me er niet druk om]
6. iemand de tijd ergens voor gunnen
[het hem op zijn gemak laten doen]
7. gezelligheid kent geen tijd
[als het gezellig is, gaat de tijd snel voorbij]
8. de hele tijd
[voortdurend]
9. ik kan mijn tijd wel beter besteden
[dat vind ik minderwaardig]
10. in minder dan geen tijd
[heel snel]
11. een scherpe tijd
[die moeilijk te verbeteren is]
12. dat is verleden tijd
[dat is voorbij]
13. de tijd aan zichzelf hebben
[over zijn eigen tijd kunnen beschikken]
14. met je tijd meegaan
[met de mode en de heersende opvattingen]
15. niet meer van deze tijd
[heel verouderd]
16. zijn tijd ver vooruit zijn
[heel modern zijn]
4. vorm van het werkwoord die aangeeft wanneer de zin zich afspeelt
♢ deze zin staat in de tegenwoordige tijd

Zelfstandig naamwoord: tijd
de tijd
de tijden
het tijdje

Synoniemen
periode, poos, tijdstip, uur, wijl