tank betekenis & definitie

tank - zelfstandig naamwoord

1. zwaar beveiligde gevechtswagen met wapens op rupsbanden
♢ de Russische tanks trokken Polen binnen
2. bak of houder voor bewaren van vloeistoffen
♢ in de tank van een auto hoort benzine

Zelfstandig naamwoord: tank
de tank
de tanks
het tankje