Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

streek

betekenis & definitie

streek - zelfstandig naamwoord

1. gedeelte van het land, stuk land
♢ in deze streek heb je veel water
2. plek rond een orgaan
♢ hij voelde pijn in de streek van de lies
3. iets ondeugends
♢ die kwajongen heeft weer een streek uitgehaald!
4. strijkende beweging met een kwast
♢ deze deur krijgt een streekje verf
1. van streek zijn
[door een schok in de war zijn]
2. hem op streek helpen
[helpen ergens mee te beginnen]

Algemene uitdrukkingen:
1. op streek komen
[op gang komen]
2. op streek zijn
[goed functioneren]
3. van streek zijn
[door een schok niet in staat goed te functioneren]
Zelfstandig naamwoord: streek
de streek
de streken
het streekje

Synoniemen
domein, gebied, gewest, grondgebied, landstreek, regio, terrein, vlakte