Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

land

betekenis & definitie

land - zelfstandig naamwoord

1. wat niet door water bedekt is
we stappen uit de boot, we gaan aan land
1. er is met Barend geen land te bezeilen
[er is niets met hem te beginnen]
2. deze boer heeft veel land
[veel weiland, veel grond]
2. gebied binnen bepaalde grenzen met eigen regering
♢ in dit land wonen 14 miljoen mensen
1. 's lands wijs, 's lands eer
[ieder land heeft zijn eigen gewoonten en daaraan moet je je aanpassen]
2. in het land der blinden is eenoog koning
[tussen mensen die niets kunnen, valt iemand die een beetje presteert al gauw op]
3. nog in het land der levenden zijn
[nog leven]
3. wat geen stad is
♢ wij wonen op het (platte)land
1. stad en land af lopen
[overal heen gaan]

Algemene uitdrukkingen:
1. daar heb ik het land aan
[daar heb ik een hekel aan]
Zelfstandig naamwoord: land
het land
de landen
het landje

Synoniemen
mogendheid, staat