Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

staat

betekenis & definitie

staat - zelfstandig naamwoord

1. gebied binnen bepaalde grenzen met eigen regering
dit is een bedrijf van de staat
2. hoe iets of iemand is
♢ het gebouw is in zijn oude staat hersteld
1. in staat van opwinding
[erg opgewonden]
2. de auto is nog in goede staat
[hij is nog goed]
3. de staat van beleg
[het gezag is in handen van de militairen]
4. de echtelijke staat
[het getrouwd zijn]
5. in gezegende staat zijn
[zwanger zijn]
6. in alle staten zijn
[heel erg opgewonden]
7. in staat zijn
[het kunnen]
8. tot alles in staat zijn
[zonder nadenken de ergste dingen kunnen doen]
9. de burgerlijke staat
[geeft aan wat iemands handelingsbevoegdheid is]
3. overzicht, lijst
♢ op dit staatje kun je zien wat je verdient
1. zijn staat van dienst
[het overzicht van zijn prestaties]
2. er geen staat op kunnen maken
[niet voorspelbaar zijn]

Algemene uitdrukkingen:
1. hij is in staat om ....
[hij kan het]
2. hij is tot alles in staat
[je kunt alles van hem verwachten]
Zelfstandig naamwoord: staat
de staat
de staten
het staatje

Synoniemen
gesteldheid, land, mogendheid, tabel, toestand