STAAT
m. (staten) 1. stand, toestand waarin iem. of iets zich bevindt; (van personen) de staat van zijn gezondheid; — in toepassing op de toestand van zwangerschap: vermoeid en afgetakeld door haar staat; een vrouw in gezegende staat, een zwangere vrouw; — in een staat, van opwinding, van droefheid, van verwachting verkeren; — hi...