Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

plat

betekenis & definitie

plat - bijvoeglijk naamwoord

1. met weinig hoogte
♢ als je erop zit is het kussen plat
1. een platte neus
[die niet ver uitsteekt]
2. zo plat als een dubbeltje
[heel erg plat]
2. evenwijdig aan de horizon
♢ we hebben een plat dak waar je op kunt zonnen
1. ik ga plat
[ik ga slapen]
2. hem plat spuiten
[veel kalmerende middelen inspuiten]
3. iemand plat krijgen
[hem voor je winnen]
3. akelig gewoon of alledaags
♢ hij praat nogal plat
4. volgens het dialect
♢ hij praat plat Amsterdams

Algemene uitdrukkingen:
1. de fabriek gaat plat
[er wordt gestaakt]
Bijvoeglijk naamwoord: plat
... is platter dan ...
het platst
de/het platte ...
iets plats

Synoniemen
banaal, horizontaal, triviaal

Tegenstellingen
behoorlijk, beschaafd, correct, fatsoenlijk, gepast, keurig, netjes, rond, verticaal, voorkomend, zedelijk