Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

zit

betekenis & definitie

zit - zelfstandig naamwoord

1. het zitten
♢ de zit naar het stadion duurde erg lang
1. het was een hele zit
[ik heb lang moeten zitten]
2. geen zit in zijn gat hebben
[niet lang achtereen kunnen blijven zitten]
2. manier van zitten
♢ opa's stoel heeft een goede zit

Algemene uitdrukkingen:
1. neem een zit
[neem een stoel en ga zitten]
Zelfstandig naamwoord: zit
de zit