oppassen betekenis & definitie

oppassen - regelmatig werkwoord
uitspraak: op-pas-sen

1. je aandacht erbij houden
je moet goed oppassen, anders val je
2. toezicht op een kind houden
♢ wil je vanavond oppassen als wij naar de film gaan?

Regelmatig werkwoord: op-pas-sen
ik pas op (... ik oppas)
jij/u past op (... jij oppast)
hij/zij past op (... hij oppast)
wij/zij/jullie passen op (... wij oppassen)
ik/jij/u/hij/zij paste op (... ik oppaste)
wij/zij/jullie pasten op (... wij oppasten)
hij heeft opgepast
oppassend, oppassende

Synoniemen
babysitten, opletten, uitkijken