Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

oppakken

betekenis & definitie

oppakken - regelmatig werkwoord
uitspraak: op-pak-ken

1. in je handen nemen
u mag deze beeldjes niet oppakken
2. er opnieuw mee aan de slag gaan
♢ Mauro heeft het gitaarspelen weer opgepakt
3. aanhouden en meenemen naar het politiebureau
♢ de opgepakte dief werd opgesloten

Regelmatig werkwoord: op-pak-ken
ik pak op (... ik oppak)
jij/u pakt op (... jij oppakt)
hij/zij pakt op (... hij oppakt)
wij/zij/jullie pakken op (... wij oppakken)
ik/jij/u/hij/zij pakte op (... ik oppakte)
wij/zij/jullie pakten op (... wij oppakten)
hij heeft opgepakt
de/het/een opgepakte ....

Synoniemen
arresteren, inrekenen, oppikken

Tegenstellingen
bevrijden, deponeren, neerleggen, verlossen